Terug naar 2 Kronieken 34
VSV
Statenvertaling

2 Kronieken 34:20

En de koning gebood Hilkia, en Ahikam, de zoon van Safan, en Abdon, de zoon van Micha, en Safan, de schrijver, en Asaja, een dienaar van de koning, zeggende:

Kruisverwijzingen

Context

2 Kronieken 34 — omringende verzen

15

En Hilkia antwoordde en zeide tot Safan, de schrijver: Ik heb het boek van de wet gevonden in het huis des HEREN. En Hilkia gaf het boek aan Safan.

16

En Safan bracht het boek tot de koning, en bracht de koning verder bericht, zeggende: Al wat in de hand van uw dienaren gegeven is, dat doen zij.

17

En zij hebben het geld dat in het huis des HEREN gevonden werd, bijeenverzameld en het gegeven in de hand van de opzieners en in de hand van de werklieden.

18

Daarna berichtte Safan, de schrijver, de koning, zeggende: Hilkia, de priester, heeft mij een boek gegeven. En Safan las daarin voor het aangezicht van de koning.

19

En het geschiedde, toen de koning de woorden van de wet gehoord had, dat hij zijn kleren scheurde.

20

En de koning gebood Hilkia, en Ahikam, de zoon van Safan, en Abdon, de zoon van Micha, en Safan, de schrijver, en Asaja, een dienaar van de koning, zeggende:

21

Ga heen, vraag de HEER voor mij en voor hen die overgebleven zijn in Israël en in Juda, over de woorden van het boek dat gevonden is; want groot is de grimmigheid des HEREN die over ons uitgestort is, omdat onze vaderen het woord des HEREN niet hebben onderhouden, om te doen naar alles wat in dit boek geschreven is.

22

En Hilkia, met hen die de koning aangewezen had, ging naar de profetes Hulda, de vrouw van Sallum, de zoon van Tikwa, de zoon van Hasra, de bewaarder van de klederen (zij woonde nu in Jeruzalem in het tweede stadsdeel); en zij spraken tot haar dienovereenkomstig.

23

En zij zeide tot hen: Zo zegt de HEER, de God van Israël: Zeg tot de man die u tot mij gezonden heeft:

24

Zo zegt de HEER: Zie, Ik zal kwaad brengen over deze plaats en over haar inwoners, namelijk al de vloeken die geschreven zijn in het boek dat zij gelezen hebben voor het aangezicht van de koning van Juda,

25

omdat zij Mij verlaten hebben en reukwerk ontstoken hebben voor andere goden, opdat zij Mij tot toorn verwekten met al de werken van hun handen; daarom zal Mijn grimmigheid uitgestort worden over deze plaats en niet uitgeblust worden.