Terug naar 2 Samuël 15
VSV
Statenvertaling

2 Samuël 15:22

En David zeide tot Ittai: Ga heen en trek over. En Ittai de Gittiet trok over, en al zijn mannen en al de kleinen die bij hem waren.

Kruisverwijzingen

Context

2 Samuël 15 — omringende verzen

17

En de koning ging uit, en al het volk achter hem, en zij bleven staan op een afgelegen plaats.

18

En al zijn knechten trokken aan zijn zijde voorbij; en al de Keretieten en al de Peletieten, en al de Gittieten, zeshonderd mannen die hem uit Gath gevolgd waren, trokken voor de koning uit.

19

Toen zeide de koning tot Ittai de Gittiet: Waarom gaat gij ook met ons mee? Keer terug naar uw plaats en blijf bij de koning; want gij zijt een vreemdeling en ook een balling.

20

Gij zijt gisteren pas gekomen; zou ik u dan heden met ons laten omzwerven? Ik ga waarheen ik ga; keer gij terug en neem uw broeders met u terug; barmhartigheid en trouw zij met u.

21

En Ittai antwoordde de koning en zeide: Zo waarlijk als de HEER leeft, en zo waarlijk als mijn heer de koning leeft, voorwaar, op welke plaats mijn heer de koning ook zij, hetzij in de dood of in het leven, aldaar zal ook uw knecht zijn.

22

En David zeide tot Ittai: Ga heen en trek over. En Ittai de Gittiet trok over, en al zijn mannen en al de kleinen die bij hem waren.

23

En heel het land weende met luider stem, en al het volk trok over; de koning zelf trok over de beek Kidron, en al het volk trok over naar de weg van de woestijn.

24

En zie, ook Zadok en al de Levieten waren bij hem, die de ark van het verbond Gods droegen; en zij zetten de ark Gods neer; en Abjathar ging op, totdat al het volk opgehouden had uit de stad te trekken.

25

En de koning zeide tot Zadok: Breng de ark Gods terug naar de stad; indien ik genade vind in de ogen des HEREN, zal Hij mij terugbrengen en mij haar en zijn woning doen zien.

26

Maar indien Hij aldus zegt: Ik heb geen welgevallen in u; zie, hier ben ik, laat Hem met mij doen wat goed is in zijn ogen.

27

De koning zeide ook tot Zadok de priester: Zijt gij niet een ziener? Keer terug naar de stad in vrede, en uw twee zonen met u, Achimaäz uw zoon en Jonathan, de zoon van Abjathar.