2 Samuël 15:28
“Zie, ik zal wachten op de vlakte van de woestijn, totdat er een woord van u komt om mij te berichten.”
Kruisverwijzingen
Context
2 Samuël 15 — omringende verzen
En heel het land weende met luider stem, en al het volk trok over; de koning zelf trok over de beek Kidron, en al het volk trok over naar de weg van de woestijn.
24En zie, ook Zadok en al de Levieten waren bij hem, die de ark van het verbond Gods droegen; en zij zetten de ark Gods neer; en Abjathar ging op, totdat al het volk opgehouden had uit de stad te trekken.
25En de koning zeide tot Zadok: Breng de ark Gods terug naar de stad; indien ik genade vind in de ogen des HEREN, zal Hij mij terugbrengen en mij haar en zijn woning doen zien.
26Maar indien Hij aldus zegt: Ik heb geen welgevallen in u; zie, hier ben ik, laat Hem met mij doen wat goed is in zijn ogen.
27De koning zeide ook tot Zadok de priester: Zijt gij niet een ziener? Keer terug naar de stad in vrede, en uw twee zonen met u, Achimaäz uw zoon en Jonathan, de zoon van Abjathar.
Zie, ik zal wachten op de vlakte van de woestijn, totdat er een woord van u komt om mij te berichten.
Zadok dan en Abjathar brachten de ark Gods terug naar Jeruzalem; en zij bleven daar.
30En David ging de helling van de Olijfberg op, wenende terwijl hij opging, met zijn hoofd bedekt, en op blote voeten; en al het volk dat bij hem was, had ieder zijn hoofd bedekt, en zij gingen wenende op.
31En iemand boodschapte David, zeggende: Achitofel is onder de samenzweerders bij Absalom. Toen zeide David: O HEER, maak toch de raad van Achitofel tot dwaasheid.
32En het geschiedde, toen David op de top van de berg gekomen was, waar men God aanbad, zie, daar kwam Husai, de Archiet, hem tegemoet met zijn mantel gescheurd en aarde op zijn hoofd.
33Tot hem zeide David: Indien gij met mij meegaat, dan zult gij mij tot een last zijn.