2 Samuël 15:29
“Zadok dan en Abjathar brachten de ark Gods terug naar Jeruzalem; en zij bleven daar.”
Kruisverwijzingen
Context
2 Samuël 15 — omringende verzen
En zie, ook Zadok en al de Levieten waren bij hem, die de ark van het verbond Gods droegen; en zij zetten de ark Gods neer; en Abjathar ging op, totdat al het volk opgehouden had uit de stad te trekken.
25En de koning zeide tot Zadok: Breng de ark Gods terug naar de stad; indien ik genade vind in de ogen des HEREN, zal Hij mij terugbrengen en mij haar en zijn woning doen zien.
26Maar indien Hij aldus zegt: Ik heb geen welgevallen in u; zie, hier ben ik, laat Hem met mij doen wat goed is in zijn ogen.
27De koning zeide ook tot Zadok de priester: Zijt gij niet een ziener? Keer terug naar de stad in vrede, en uw twee zonen met u, Achimaäz uw zoon en Jonathan, de zoon van Abjathar.
28Zie, ik zal wachten op de vlakte van de woestijn, totdat er een woord van u komt om mij te berichten.
Zadok dan en Abjathar brachten de ark Gods terug naar Jeruzalem; en zij bleven daar.
En David ging de helling van de Olijfberg op, wenende terwijl hij opging, met zijn hoofd bedekt, en op blote voeten; en al het volk dat bij hem was, had ieder zijn hoofd bedekt, en zij gingen wenende op.
31En iemand boodschapte David, zeggende: Achitofel is onder de samenzweerders bij Absalom. Toen zeide David: O HEER, maak toch de raad van Achitofel tot dwaasheid.
32En het geschiedde, toen David op de top van de berg gekomen was, waar men God aanbad, zie, daar kwam Husai, de Archiet, hem tegemoet met zijn mantel gescheurd en aarde op zijn hoofd.
33Tot hem zeide David: Indien gij met mij meegaat, dan zult gij mij tot een last zijn.
34Maar indien gij terugkeert naar de stad en tot Absalom zegt: Ik zal uw knecht zijn, o koning; zoals ik tot nu toe de knecht van uw vader geweest ben, zo zal ik nu ook uw knecht zijn; dan kunt gij voor mij de raad van Achitofel verijdelen.