2 Samuël 15:34
“Maar indien gij terugkeert naar de stad en tot Absalom zegt: Ik zal uw knecht zijn, o koning; zoals ik tot nu toe de knecht van uw vader geweest ben, zo zal ik nu ook uw knecht zijn; dan kunt gij voor mij de raad van Achitofel verijdelen.”
Kruisverwijzingen
Context
2 Samuël 15 — omringende verzen
Zadok dan en Abjathar brachten de ark Gods terug naar Jeruzalem; en zij bleven daar.
30En David ging de helling van de Olijfberg op, wenende terwijl hij opging, met zijn hoofd bedekt, en op blote voeten; en al het volk dat bij hem was, had ieder zijn hoofd bedekt, en zij gingen wenende op.
31En iemand boodschapte David, zeggende: Achitofel is onder de samenzweerders bij Absalom. Toen zeide David: O HEER, maak toch de raad van Achitofel tot dwaasheid.
32En het geschiedde, toen David op de top van de berg gekomen was, waar men God aanbad, zie, daar kwam Husai, de Archiet, hem tegemoet met zijn mantel gescheurd en aarde op zijn hoofd.
33Tot hem zeide David: Indien gij met mij meegaat, dan zult gij mij tot een last zijn.
Maar indien gij terugkeert naar de stad en tot Absalom zegt: Ik zal uw knecht zijn, o koning; zoals ik tot nu toe de knecht van uw vader geweest ben, zo zal ik nu ook uw knecht zijn; dan kunt gij voor mij de raad van Achitofel verijdelen.
En zijn daar niet bij u Zadok en Abjathar, de priesters? Daarom zal het zo zijn, dat alles wat gij uit het huis des konings hoort, gij aan Zadok en Abjathar de priesters zult meedelen.
36Zie, zij hebben daar bij hen hun twee zonen, Achimaäz, de zoon van Zadok, en Jonathan, de zoon van Abjathar; en door hen zult gij mij alles laten weten wat gij verneemt.
37Zo kwam Husai, de vriend van David, in de stad, en Absalom trok Jeruzalem binnen.