Terug naar 2 Samuël 19
VSV
Statenvertaling

2 Samuël 19:12

Gij zijt mijn broeders, gij zijt mijn gebeente en mijn vlees; waarom dan zoudt gij de laatsten zijn om de koning terug te brengen?

Kruisverwijzingen

Context

2 Samuël 19 — omringende verzen

7

Sta daarom nu op, ga naar buiten en spreek naar het hart van uw knechten, want ik zweer bij de HEER: indien U niet naar buiten gaat, zal er vannacht niet één man bij U blijven, en dat zal erger voor U zijn dan al het kwaad dat U overkomen is van uw jeugd af tot nu toe.

8

Toen stond de koning op en zette zich in de poort. En men boodschapte het aan het hele volk, zeggende: Zie, de koning zit in de poort. En al het volk kwam voor de koning, want Israël was gevlucht, ieder naar zijn tent.

9

En het hele volk twistte in al de stammen van Israël, zeggende: De koning heeft ons gered uit de hand van onze vijanden, en hij heeft ons bevrijd uit de hand van de Filistijnen, en nu is hij uit het land gevlucht vanwege Absalom.

10

En Absalom, die wij over ons gezalfd hebben, is in de strijd gesneuveld. Nu dan, waarom zwijgt gij en spreekt geen woord over het terugbrengen van de koning?

11

En koning David zond tot Zadok en tot Abjathar, de priesters, om te zeggen: Spreek tot de oudsten van Juda, zeggende: Waarom zoudt gij de laatsten zijn om de koning terug te brengen naar zijn huis, daar het woord van heel Israël tot de koning gekomen is, tot zijn huis toe?

12

Gij zijt mijn broeders, gij zijt mijn gebeente en mijn vlees; waarom dan zoudt gij de laatsten zijn om de koning terug te brengen?

13

En zeg tot Amasa: Zijt gij niet mijn gebeente en mijn vlees? God doe mij zo en nog erger, indien gij niet voortdurend legeroverste voor mij zult zijn in de plaats van Joab.

14

En hij neigde het hart van al de mannen van Juda als het hart van één man, zodat zij dit woord tot de koning zonden: Keer terug, u en al uw knechten.

15

Zo keerde de koning terug en kwam aan de Jordaan. En Juda kwam naar Gilgal om de koning tegemoet te gaan, om de koning over de Jordaan te geleiden.

16

En Simeï, de zoon van Gera, een Benjaminiet, die van Bahurim was, haastte zich en kwam met de mannen van Juda af om koning David tegemoet te gaan.

17

En er waren duizend man van Benjamin bij hem, en Ziba, de knecht van het huis van Saul, en zijn vijftien zonen en zijn twintig knechten met hem. En zij trokken over de Jordaan vóór de koning uit.