Terug naar 2 Samuël 19
VSV
Statenvertaling

2 Samuël 19:8

Toen stond de koning op en zette zich in de poort. En men boodschapte het aan het hele volk, zeggende: Zie, de koning zit in de poort. En al het volk kwam voor de koning, want Israël was gevlucht, ieder naar zijn tent.

Kruisverwijzingen

Context

2 Samuël 19 — omringende verzen

3

En het volk begaf zich die dag heimelijk naar de stad, zoals volk zich beschaamd wegsteelt wanneer zij in de strijd gevlucht zijn.

4

Maar de koning bedekte zijn aangezicht, en de koning riep met luider stem: O mijn zoon Absalom, o Absalom, mijn zoon, mijn zoon!

5

En Joab kwam in het huis bij de koning en zei: U hebt heden de aangezichten van al uw knechten beschaamd gemaakt, die heden uw leven gered hebben, en het leven van uw zonen en uw dochters, en het leven van uw vrouwen en het leven van uw bijvrouwen,

6

doordat U uw vijanden liefhebt en uw vrienden haat. Want U hebt heden te kennen gegeven dat U geen achting hebt voor vorsten en knechten, want ik merk heden dat, indien Absalom geleefd had en wij allen heden gestorven waren, dat U dan zeer tevreden zou zijn geweest.

7

Sta daarom nu op, ga naar buiten en spreek naar het hart van uw knechten, want ik zweer bij de HEER: indien U niet naar buiten gaat, zal er vannacht niet één man bij U blijven, en dat zal erger voor U zijn dan al het kwaad dat U overkomen is van uw jeugd af tot nu toe.

8

Toen stond de koning op en zette zich in de poort. En men boodschapte het aan het hele volk, zeggende: Zie, de koning zit in de poort. En al het volk kwam voor de koning, want Israël was gevlucht, ieder naar zijn tent.

9

En het hele volk twistte in al de stammen van Israël, zeggende: De koning heeft ons gered uit de hand van onze vijanden, en hij heeft ons bevrijd uit de hand van de Filistijnen, en nu is hij uit het land gevlucht vanwege Absalom.

10

En Absalom, die wij over ons gezalfd hebben, is in de strijd gesneuveld. Nu dan, waarom zwijgt gij en spreekt geen woord over het terugbrengen van de koning?

11

En koning David zond tot Zadok en tot Abjathar, de priesters, om te zeggen: Spreek tot de oudsten van Juda, zeggende: Waarom zoudt gij de laatsten zijn om de koning terug te brengen naar zijn huis, daar het woord van heel Israël tot de koning gekomen is, tot zijn huis toe?

12

Gij zijt mijn broeders, gij zijt mijn gebeente en mijn vlees; waarom dan zoudt gij de laatsten zijn om de koning terug te brengen?

13

En zeg tot Amasa: Zijt gij niet mijn gebeente en mijn vlees? God doe mij zo en nog erger, indien gij niet voortdurend legeroverste voor mij zult zijn in de plaats van Joab.