2 Samuël 19:39
“En al het volk trok over de Jordaan. En toen de koning was overgekomen, kuste de koning Barzillaï en zegende hem, en hij keerde terug naar zijn eigen plaats.”
Kruisverwijzingen
Context
2 Samuël 19 — omringende verzen
Maar Barzillaï zei tot de koning: Hoeveel dagen heb ik nog te leven, dat ik met de koning naar Jeruzalem zou optrekken?
35Ik ben heden tachtig jaar oud; kan ik nog onderscheid maken tussen goed en kwaad? Kan uw knecht nog proeven wat ik eet of wat ik drink? Kan ik nog de stem horen van zangers en zangeressen? Waarom zou uw knecht dan nog een last zijn voor mijn heer de koning?
36Uw knecht zal een weinig met de koning over de Jordaan trekken; en waarom zou de koning mij daarvoor met zo'n beloning vergelden?
37Laat uw knecht toch terugkeren, opdat ik sterve in mijn eigen stad en begraven worde bij het graf van mijn vader en mijn moeder. Maar zie, hier is uw knecht Chimham; laat hem met mijn heer de koning overtrekken, en doe hem wat goed is in uw ogen.
38En de koning antwoordde: Chimham zal met mij overtrekken, en ik zal hem doen wat goed is in uw ogen, en al wat gij van mij verlangt, dat zal ik voor u doen.
En al het volk trok over de Jordaan. En toen de koning was overgekomen, kuste de koning Barzillaï en zegende hem, en hij keerde terug naar zijn eigen plaats.
Toen trok de koning verder naar Gilgal, en Chimham trok met hem mee. En het hele volk van Juda geleidde de koning, en ook de helft van het volk van Israël.
41En zie, al de mannen van Israël kwamen tot de koning en zeiden tot de koning: Waarom hebben onze broeders, de mannen van Juda, u weggevoerd en hebben de koning en zijn huisgezin, en al de mannen van David met hem, over de Jordaan gebracht?
42En al de mannen van Juda antwoordden de mannen van Israël: Omdat de koning nauw verwant aan ons is; waarom wordt gij dan toornig over deze zaak? Hebben wij dan gegeten van de koning, of heeft hij ons enig geschenk gegeven?
43En de mannen van Israël antwoordden de mannen van Juda en zeiden: Wij hebben tien delen in de koning, en ook in David hebben wij meer recht dan gij; waarom hebt gij ons dan veracht, zodat ons woord niet het eerst was om onze koning terug te brengen? Maar de woorden van de mannen van Juda waren harder dan de woorden van de mannen van Israël.