2 Samuël 19:34
“Maar Barzillaï zei tot de koning: Hoeveel dagen heb ik nog te leven, dat ik met de koning naar Jeruzalem zou optrekken?”
Kruisverwijzingen
Context
2 Samuël 19 — omringende verzen
En de koning zei tot hem: Waarom spreekt gij nog langer over uw zaken? Ik heb gezegd: Gij en Ziba, verdeel het land.
30En Mefiboseth zei tot de koning: Ja, laat hij alles maar nemen, nu mijn heer de koning in vrede teruggekomen is naar zijn eigen huis.
31En Barzillaï, de Gileadiet, kwam van Rogelim af en trok met de koning over de Jordaan, om hem over de Jordaan te geleiden.
32Barzillaï nu was zeer oud, tachtig jaar oud, en hij had de koning van voedsel voorzien terwijl deze te Mahanaïm verbleef, want hij was een zeer aanzienlijk man.
33En de koning zei tot Barzillaï: Trek met mij over, en ik zal u bij mij onderhouden in Jeruzalem.
Maar Barzillaï zei tot de koning: Hoeveel dagen heb ik nog te leven, dat ik met de koning naar Jeruzalem zou optrekken?
Ik ben heden tachtig jaar oud; kan ik nog onderscheid maken tussen goed en kwaad? Kan uw knecht nog proeven wat ik eet of wat ik drink? Kan ik nog de stem horen van zangers en zangeressen? Waarom zou uw knecht dan nog een last zijn voor mijn heer de koning?
36Uw knecht zal een weinig met de koning over de Jordaan trekken; en waarom zou de koning mij daarvoor met zo'n beloning vergelden?
37Laat uw knecht toch terugkeren, opdat ik sterve in mijn eigen stad en begraven worde bij het graf van mijn vader en mijn moeder. Maar zie, hier is uw knecht Chimham; laat hem met mijn heer de koning overtrekken, en doe hem wat goed is in uw ogen.
38En de koning antwoordde: Chimham zal met mij overtrekken, en ik zal hem doen wat goed is in uw ogen, en al wat gij van mij verlangt, dat zal ik voor u doen.
39En al het volk trok over de Jordaan. En toen de koning was overgekomen, kuste de koning Barzillaï en zegende hem, en hij keerde terug naar zijn eigen plaats.