2 Samuël 20:19
“Ik behoor tot de vredelievenden en getrouwen in Israël; maar u tracht een stad en een moeder in Israël te vernietigen. Waarom wilt u de erfenis van de HEER verslinden?”
Kruisverwijzingen
Context
2 Samuël 20 — omringende verzen
En hij trok door alle stammen van Israël naar Abel en naar Beth-Maächa, en alle Berieten; en zij vergaderden zich en gingen ook hem achterna.
15En zij kwamen en belegerden hem in Abel-Beth-Maächa, en wierpen een wal op tegen de stad, zodat die in de gracht stond; en al het volk dat bij Joab was, beukte de muur om die neer te werpen.
16Toen riep een wijze vrouw uit de stad: Luister, luister! Zeg toch aan Joab: Kom hierheen, dat ik met u spreke.
17En toen hij bij haar gekomen was, zei de vrouw: Bent u Joab? En hij antwoordde: Ik ben het. Toen zei zij tot hem: Luister naar de woorden van uw dienstmaagd. En hij antwoordde: Ik luister.
18Toen sprak zij en zei: Vanouds placht men te zeggen: Laat men toch raad vragen te Abel; en zo beslisten zij de zaak.
Ik behoor tot de vredelievenden en getrouwen in Israël; maar u tracht een stad en een moeder in Israël te vernietigen. Waarom wilt u de erfenis van de HEER verslinden?
En Joab antwoordde en zei: Dat zij verre, dat zij verre van mij, dat ik zou verslinden of verwoesten.
21Zo is de zaak niet; maar een man van het gebergte Efraïm, Seba de zoon van Bichri genaamd, heeft zijn hand opgeheven tegen de koning, zelfs tegen David. Lever hem alleen uit, dan zal ik van de stad vertrekken. En de vrouw zei tegen Joab: Zie, zijn hoofd zal u over de muur worden toegeworpen.
22Toen ging de vrouw in haar wijsheid tot al het volk. En zij sloegen het hoofd van Seba, de zoon van Bichri, af, en wierpen het uit naar Joab. En hij blies op de bazuin, en zij trokken zich terug van de stad, een ieder naar zijn tent. En Joab keerde terug naar Jeruzalem, naar de koning.
23Nu was Joab aangesteld over het gehele leger van Israël; en Benaja, de zoon van Jojada, was aangesteld over de Keretieten en over de Peletieten.
24En Adoram was over de herendienst; en Josafat, de zoon van Ahilud, was kanselier.