Terug naar 2 Samuël 24
VSV
Statenvertaling

2 Samuël 24:21

En Arauna zeide: Waarom komt mijn heer de koning tot zijn knecht? En David zeide: Om de dorsvloer van u te kopen, teneinde voor de HEER een altaar te bouwen, opdat de plaag van het volk geweerd moge worden.

Kruisverwijzingen

Context

2 Samuël 24 — omringende verzen

16

En toen de engel zijn hand over Jeruzalem uitstrekte om haar te verderven, berouwde het de HEER over het onheil, en Hij zeide tot de engel die het volk verdierf: Het is genoeg, trek nu uw hand terug. De engel van de HEER nu was bij de dorsvloer van Arauna de Jebusiet.

17

En David sprak tot de HEER, toen hij de engel zag die het volk sloeg, en zeide: Zie, ik heb gezondigd en ik heb goddeloos gedaan; maar deze schapen, wat hebben zij gedaan? Laat toch Uw hand tegen mij zijn en tegen het huis mijns vaders.

18

En Gad kwam te dien dage tot David en zeide tot hem: Ga op, richt een altaar op voor de HEER op de dorsvloer van Arauna de Jebusiet.

19

En David ging op naar het woord van Gad, zoals de HEER geboden had.

20

En Arauna keek op en zag de koning en zijn dienaren op hem toekomen; en Arauna ging uit en boog zich voor de koning met zijn aangezicht ter aarde.

21

En Arauna zeide: Waarom komt mijn heer de koning tot zijn knecht? En David zeide: Om de dorsvloer van u te kopen, teneinde voor de HEER een altaar te bouwen, opdat de plaag van het volk geweerd moge worden.

22

En Arauna zeide tot David: Laat mijn heer de koning nemen en offeren wat hem goed dunkt; zie, hier zijn runderen voor brandoffers en dorsplanken en andere gereedschappen der runderen voor hout.

23

Dit alles gaf Arauna, als een koning, aan de koning. En Arauna zeide tot de koning: De HEER uw God aanvaarde u.

24

Maar de koning zeide tot Arauna: Neen, maar ik zal het van u kopen voor een prijs; want ik zal de HEER mijn God geen brandoffers brengen van hetgeen mij niets gekost heeft. Zo kocht David de dorsvloer en de runderen voor vijftig sikkelen zilver.

25

En David bouwde aldaar een altaar voor de HEER en bracht brandoffers en dankoffers. En de HEER werd het land ten goede verbeden, en de plaag werd van Israël geweerd.