2 Samuël 3:33
“En de koning hief een klaaglied aan over Abner en zei: Moest Abner sterven zoals een dwaas sterft?”
Kruisverwijzingen
Context
2 Samuël 3 — omringende verzen
En daarna, toen David het hoorde, zei hij: Ik en mijn koninkrijk zijn voor eeuwig onschuldig voor het aangezicht van de HEER aan het bloed van Abner, de zoon van Ner.
29Laat het neerkomen op het hoofd van Joab en op het gehele huis van zijn vader; en laat in het huis van Joab niet ontbreken iemand die een vloeiing heeft, of die melaats is, of die op een stok leunt, of die door het zwaard valt, of die gebrek aan brood heeft.
30Zo hebben Joab en zijn broeder Abisai Abner gedood, omdat hij hun broeder Asaël bij Gibeon in de strijd gedood had.
31En David zei tot Joab en tot al het volk dat bij hem was: Scheurt uw klederen en gordt u met een zak, en bedrijft rouw voor Abner. En koning David zelf ging achter de baar.
32En zij begroeven Abner in Hebron; en de koning verhief zijn stem en weende bij het graf van Abner; en al het volk weende.
En de koning hief een klaaglied aan over Abner en zei: Moest Abner sterven zoals een dwaas sterft?
Uw handen waren niet gebonden en uw voeten niet in boeien geslagen; zoals men valt voor goddeloze mannen, zo zijt gij gevallen. En al het volk weende opnieuw over hem.
35En toen al het volk kwam om David te doen eten terwijl het nog dag was, zwoer David, zeggende: Zo doe God mij en zo voege Hij mij nog toe, als ik brood of iets anders proef voordat de zon ondergaat.
36En al het volk nam er kennis van en het behaagde hun; zoals alles wat de koning deed al het volk behaagde.
37Want al het volk en geheel Israël begrepen op die dag dat het niet van de koning was geweest om Abner, de zoon van Ner, te doden.
38En de koning zei tot zijn dienaren: Weet gij niet dat er heden een vorst en een groot man in Israël gevallen is?