2 Samuël 3:30
“Zo hebben Joab en zijn broeder Abisai Abner gedood, omdat hij hun broeder Asaël bij Gibeon in de strijd gedood had.”
Kruisverwijzingen
Context
2 Samuël 3 — omringende verzen
Gij kent Abner, de zoon van Ner; hij is gekomen om u te bedriegen en om uw uitgaan en uw inkomen te weten, en om alles te weten wat gij doet.
26En toen Joab van David weggegaan was, zond hij boden achter Abner aan, die hem terugbrachten van de put van Sira; maar David wist het niet.
27En toen Abner in Hebron teruggekomen was, nam Joab hem terzijde in de poort om in stilte met hem te spreken, en hij sloeg hem daar onder de vijfde rib, zodat hij stierf, om het bloed van Asaël, zijn broeder.
28En daarna, toen David het hoorde, zei hij: Ik en mijn koninkrijk zijn voor eeuwig onschuldig voor het aangezicht van de HEER aan het bloed van Abner, de zoon van Ner.
29Laat het neerkomen op het hoofd van Joab en op het gehele huis van zijn vader; en laat in het huis van Joab niet ontbreken iemand die een vloeiing heeft, of die melaats is, of die op een stok leunt, of die door het zwaard valt, of die gebrek aan brood heeft.
Zo hebben Joab en zijn broeder Abisai Abner gedood, omdat hij hun broeder Asaël bij Gibeon in de strijd gedood had.
En David zei tot Joab en tot al het volk dat bij hem was: Scheurt uw klederen en gordt u met een zak, en bedrijft rouw voor Abner. En koning David zelf ging achter de baar.
32En zij begroeven Abner in Hebron; en de koning verhief zijn stem en weende bij het graf van Abner; en al het volk weende.
33En de koning hief een klaaglied aan over Abner en zei: Moest Abner sterven zoals een dwaas sterft?
34Uw handen waren niet gebonden en uw voeten niet in boeien geslagen; zoals men valt voor goddeloze mannen, zo zijt gij gevallen. En al het volk weende opnieuw over hem.
35En toen al het volk kwam om David te doen eten terwijl het nog dag was, zwoer David, zeggende: Zo doe God mij en zo voege Hij mij nog toe, als ik brood of iets anders proef voordat de zon ondergaat.