2 Samuël 3:35
“En toen al het volk kwam om David te doen eten terwijl het nog dag was, zwoer David, zeggende: Zo doe God mij en zo voege Hij mij nog toe, als ik brood of iets anders proef voordat de zon ondergaat.”
Kruisverwijzingen
Context
2 Samuël 3 — omringende verzen
Zo hebben Joab en zijn broeder Abisai Abner gedood, omdat hij hun broeder Asaël bij Gibeon in de strijd gedood had.
31En David zei tot Joab en tot al het volk dat bij hem was: Scheurt uw klederen en gordt u met een zak, en bedrijft rouw voor Abner. En koning David zelf ging achter de baar.
32En zij begroeven Abner in Hebron; en de koning verhief zijn stem en weende bij het graf van Abner; en al het volk weende.
33En de koning hief een klaaglied aan over Abner en zei: Moest Abner sterven zoals een dwaas sterft?
34Uw handen waren niet gebonden en uw voeten niet in boeien geslagen; zoals men valt voor goddeloze mannen, zo zijt gij gevallen. En al het volk weende opnieuw over hem.
En toen al het volk kwam om David te doen eten terwijl het nog dag was, zwoer David, zeggende: Zo doe God mij en zo voege Hij mij nog toe, als ik brood of iets anders proef voordat de zon ondergaat.
En al het volk nam er kennis van en het behaagde hun; zoals alles wat de koning deed al het volk behaagde.
37Want al het volk en geheel Israël begrepen op die dag dat het niet van de koning was geweest om Abner, de zoon van Ner, te doden.
38En de koning zei tot zijn dienaren: Weet gij niet dat er heden een vorst en een groot man in Israël gevallen is?
39En ik ben heden zwak, hoewel gezalfd tot koning; en deze mannen, de zonen van Zeruja, zijn te hard voor mij. De HEER vergelde degene die kwaad doet naar zijn goddeloosheid.