2 Samuël 7:18
“Toen ging koning David in en zat voor het aangezicht van de HEER, en hij zeide: Wie ben ik, Heere HEERE, en wat is mijn huis, dat U mij tot hiertoe gebracht hebt?”
Kruisverwijzingen
Context
2 Samuël 7 — omringende verzen
Hij zal voor Mijn naam een huis bouwen, en Ik zal de troon van zijn koninkrijk voor eeuwig bevestigen.
14Ik zal hem tot een Vader zijn, en hij zal Mij tot een zoon zijn. Indien hij ongerechtigheid bedrijft, zal Ik hem tuchtigen met de roede der mensen en met de slagen der mensenkinderen;
15Maar Mijn goedertierenheid zal van hem niet wijken, gelijk als Ik die weggenomen heb van Saul, dien Ik voor uw aangezicht weggedaan heb.
16En uw huis en uw koninkrijk zullen voor altoos bestendig zijn voor uw aangezicht; uw troon zal voor eeuwig bevestigd zijn.
17Naar al deze woorden en naar dit gehele gezicht, zo sprak Nathan tot David.
Toen ging koning David in en zat voor het aangezicht van de HEER, en hij zeide: Wie ben ik, Heere HEERE, en wat is mijn huis, dat U mij tot hiertoe gebracht hebt?
En dit was nog gering in Uw ogen, Heere HEERE, maar U hebt ook gesproken van het huis van Uw knecht voor een grote toekomst. En is dit de wijze van de mensen, Heere HEERE?
20En wat kan David meer tot U zeggen? Want U, Heere HEERE, kent Uw knecht.
21Om Uw woord's wil en naar Uw eigen hart hebt U al deze grote dingen gedaan, om Uw knecht die bekend te maken.
22Daarom zijt U groot, o HEERE God, want er is niemand gelijk U, en er is geen God buiten U, naar alles wat wij met onze oren gehoord hebben.
23En welk volk op aarde is er als Uw volk, als Israël, dat God is uitgegaan om voor Zichzelf als volk te verlossen, en om Zich een naam te maken, en om grote en ontzagwekkende dingen voor U te doen, voor Uw land, vóór Uw volk, dat U voor Uzelf uit Egypte hebt verlost, van de volken en hun goden?