Daniël 4:13
“Ik zag in de gezichten van mijn hoofd op mijn bed, en zie, een wachter, een heilige, daalde neer uit de hemel.”
Kruisverwijzingen
Context
Daniël 4 — omringende verzen
Maar ten laatste trad Daniël voor mij, wiens naam Beltsazar is, naar de naam van mijn god, en in wie de geest der heilige goden is; en voor hem vertelde ik de droom, zeggende:
9O Beltsazar, overste der tovenaars, omdat ik weet dat de geest der heilige goden in u is en geen verborgenheid u moeilijk is, vertel mij de gezichten van mijn droom die ik gezien heb, en de uitlegging daarvan.
10Dit waren de gezichten van mijn hoofd op mijn bed: ik zag, en zie, er was een boom in het midden der aarde, en de hoogte daarvan was groot.
11De boom groeide en werd sterk, en de hoogte daarvan reikte tot aan de hemel, en hij was te zien tot aan het einde van de gehele aarde.
12Zijn loof was schoon en zijn vrucht overvloedig, en er was voor allen voedsel in; de dieren des velds hadden schaduw daaronder, en de vogels des hemels woonden in zijn takken, en al het vlees werd erdoor gevoed.
Ik zag in de gezichten van mijn hoofd op mijn bed, en zie, een wachter, een heilige, daalde neer uit de hemel.
Hij riep met luide stem en zei aldus: Houwt de boom om en kapt zijn takken af, schudt zijn loof af en verstrooit zijn vrucht; laat de dieren vluchten van onder hem en de vogels van zijn takken.
15Maar laat de stronk met zijn wortels in de aarde staan, ja, met een band van ijzer en koper, in het jonge gras van het veld; en laat hem nat worden van de dauw des hemels, en zijn deel zij met de dieren in het gras der aarde.
16Laat zijn hart worden veranderd van dat van een mens, en laat hem het hart van een dier gegeven worden; en laten er zeven tijden over hem voorbijgaan.
17Dit besluit is door het woord der wachters en dit verzoek door het bevel der heiligen, opdat de levenden mogen weten dat de Allerhoogste regeert over het koninkrijk der mensen, en het geeft aan wie Hij wil, en daarover de laagste der mensen aanstelt.
18Deze droom heb ik, koning Nebukadnezar, gezien. Verklaar gij nu, o Beltsazar, de uitlegging daarvan, want alle wijzen van mijn koninkrijk zijn niet in staat mij de uitlegging bekend te maken; maar gij zijt daartoe in staat, want de geest der heilige goden is in u.