Terug naar Daniël 4
VSV
Statenvertaling

Daniël 4:18

Deze droom heb ik, koning Nebukadnezar, gezien. Verklaar gij nu, o Beltsazar, de uitlegging daarvan, want alle wijzen van mijn koninkrijk zijn niet in staat mij de uitlegging bekend te maken; maar gij zijt daartoe in staat, want de geest der heilige goden is in u.

Kruisverwijzingen

Context

Daniël 4 — omringende verzen

13

Ik zag in de gezichten van mijn hoofd op mijn bed, en zie, een wachter, een heilige, daalde neer uit de hemel.

14

Hij riep met luide stem en zei aldus: Houwt de boom om en kapt zijn takken af, schudt zijn loof af en verstrooit zijn vrucht; laat de dieren vluchten van onder hem en de vogels van zijn takken.

15

Maar laat de stronk met zijn wortels in de aarde staan, ja, met een band van ijzer en koper, in het jonge gras van het veld; en laat hem nat worden van de dauw des hemels, en zijn deel zij met de dieren in het gras der aarde.

16

Laat zijn hart worden veranderd van dat van een mens, en laat hem het hart van een dier gegeven worden; en laten er zeven tijden over hem voorbijgaan.

17

Dit besluit is door het woord der wachters en dit verzoek door het bevel der heiligen, opdat de levenden mogen weten dat de Allerhoogste regeert over het koninkrijk der mensen, en het geeft aan wie Hij wil, en daarover de laagste der mensen aanstelt.

18

Deze droom heb ik, koning Nebukadnezar, gezien. Verklaar gij nu, o Beltsazar, de uitlegging daarvan, want alle wijzen van mijn koninkrijk zijn niet in staat mij de uitlegging bekend te maken; maar gij zijt daartoe in staat, want de geest der heilige goden is in u.

19

Toen werd Daniël, wiens naam Beltsazar is, een ogenblik ontzet en zijn gedachten verontrustten hem. De koning sprak en zei: Beltsazar, laat de droom en de uitlegging daarvan u niet verontrusten. Beltsazar antwoordde en zei: Mijn heer, de droom treffe hen die u haten, en de uitlegging daarvan uw vijanden.

20

De boom die gij zaagt, die groeide en sterk werd, waarvan de hoogte tot aan de hemel reikte en die te zien was over de gehele aarde;

21

Waarvan de bladeren schoon waren en de vrucht overvloedig, en waaraan voedsel was voor allen; onder welke de dieren des velds woonden, en op wiens takken de vogelen des hemels hun verblijf hadden:

22

Gij zijt het, o koning, die groot geworden en sterk zijt; want uw grootheid is gewassen en reikt tot aan de hemel, en uw heerschappij tot aan het einde der aarde.

23

En dat de koning een waker en een heilige zag neerdalen uit de hemel, die zeide: Houwt de boom om en vernielt hem; maar laat de stomp zijner wortelen in de aarde, zelfs met een band van ijzer en koper, in het zachte gras des velds; en laat hem nat worden met de dauw des hemels, en zijn deel zij met de dieren des velds, totdat zeven tijden over hem voorbijgaan;