Daniël 4:22
“Gij zijt het, o koning, die groot geworden en sterk zijt; want uw grootheid is gewassen en reikt tot aan de hemel, en uw heerschappij tot aan het einde der aarde.”
Kruisverwijzingen
Context
Daniël 4 — omringende verzen
Dit besluit is door het woord der wachters en dit verzoek door het bevel der heiligen, opdat de levenden mogen weten dat de Allerhoogste regeert over het koninkrijk der mensen, en het geeft aan wie Hij wil, en daarover de laagste der mensen aanstelt.
18Deze droom heb ik, koning Nebukadnezar, gezien. Verklaar gij nu, o Beltsazar, de uitlegging daarvan, want alle wijzen van mijn koninkrijk zijn niet in staat mij de uitlegging bekend te maken; maar gij zijt daartoe in staat, want de geest der heilige goden is in u.
19Toen werd Daniël, wiens naam Beltsazar is, een ogenblik ontzet en zijn gedachten verontrustten hem. De koning sprak en zei: Beltsazar, laat de droom en de uitlegging daarvan u niet verontrusten. Beltsazar antwoordde en zei: Mijn heer, de droom treffe hen die u haten, en de uitlegging daarvan uw vijanden.
20De boom die gij zaagt, die groeide en sterk werd, waarvan de hoogte tot aan de hemel reikte en die te zien was over de gehele aarde;
21Waarvan de bladeren schoon waren en de vrucht overvloedig, en waaraan voedsel was voor allen; onder welke de dieren des velds woonden, en op wiens takken de vogelen des hemels hun verblijf hadden:
Gij zijt het, o koning, die groot geworden en sterk zijt; want uw grootheid is gewassen en reikt tot aan de hemel, en uw heerschappij tot aan het einde der aarde.
En dat de koning een waker en een heilige zag neerdalen uit de hemel, die zeide: Houwt de boom om en vernielt hem; maar laat de stomp zijner wortelen in de aarde, zelfs met een band van ijzer en koper, in het zachte gras des velds; en laat hem nat worden met de dauw des hemels, en zijn deel zij met de dieren des velds, totdat zeven tijden over hem voorbijgaan;
24Dit is de uitlegging, o koning, en dit is het besluit des Allerhoogsten, dat over mijn heer de koning gekomen is:
25Dat men u uit het midden der mensen zal verdrijven, en uw woning bij de dieren des velds zal zijn, en men u gras zal doen eten als de ossen, en de dauw des hemels zal u nat maken, en zeven tijden zullen over u voorbijgaan, totdat gij weet dat de Allerhoogste heerst over het koninkrijk der mensen en het geeft aan wie Hij wil.
26En dat men beval de stomp der boomwortelen te laten staan: uw koninkrijk zal u bestendig zijn, nadat gij erkend hebt dat de hemelen heersen.
27Daarom, o koning, laat mijn raad u welgevallig zijn, en breek met uw zonden door gerechtigheid, en met uw ongerechtigheden door barmhartigheid te bewijzen aan de armen; misschien zal er een verlenging van uw rust zijn.