Terug naar Daniël 4
VSV
Statenvertaling

Daniël 4:25

Dat men u uit het midden der mensen zal verdrijven, en uw woning bij de dieren des velds zal zijn, en men u gras zal doen eten als de ossen, en de dauw des hemels zal u nat maken, en zeven tijden zullen over u voorbijgaan, totdat gij weet dat de Allerhoogste heerst over het koninkrijk der mensen en het geeft aan wie Hij wil.

Kruisverwijzingen

Context

Daniël 4 — omringende verzen

20

De boom die gij zaagt, die groeide en sterk werd, waarvan de hoogte tot aan de hemel reikte en die te zien was over de gehele aarde;

21

Waarvan de bladeren schoon waren en de vrucht overvloedig, en waaraan voedsel was voor allen; onder welke de dieren des velds woonden, en op wiens takken de vogelen des hemels hun verblijf hadden:

22

Gij zijt het, o koning, die groot geworden en sterk zijt; want uw grootheid is gewassen en reikt tot aan de hemel, en uw heerschappij tot aan het einde der aarde.

23

En dat de koning een waker en een heilige zag neerdalen uit de hemel, die zeide: Houwt de boom om en vernielt hem; maar laat de stomp zijner wortelen in de aarde, zelfs met een band van ijzer en koper, in het zachte gras des velds; en laat hem nat worden met de dauw des hemels, en zijn deel zij met de dieren des velds, totdat zeven tijden over hem voorbijgaan;

24

Dit is de uitlegging, o koning, en dit is het besluit des Allerhoogsten, dat over mijn heer de koning gekomen is:

25

Dat men u uit het midden der mensen zal verdrijven, en uw woning bij de dieren des velds zal zijn, en men u gras zal doen eten als de ossen, en de dauw des hemels zal u nat maken, en zeven tijden zullen over u voorbijgaan, totdat gij weet dat de Allerhoogste heerst over het koninkrijk der mensen en het geeft aan wie Hij wil.

26

En dat men beval de stomp der boomwortelen te laten staan: uw koninkrijk zal u bestendig zijn, nadat gij erkend hebt dat de hemelen heersen.

27

Daarom, o koning, laat mijn raad u welgevallig zijn, en breek met uw zonden door gerechtigheid, en met uw ongerechtigheden door barmhartigheid te bewijzen aan de armen; misschien zal er een verlenging van uw rust zijn.

28

Dit alles overkwam de koning Nebukadnezar.

29

Aan het einde van twaalf maanden wandelde hij op het dak van het koninklijk paleis van Babel.

30

De koning nam het woord en zeide: Is dit niet het grote Babel, dat ik gebouwd heb tot een koninklijk paleis door de kracht van mijn macht en ter eer van mijn majesteit?