Daniël 4:30
“De koning nam het woord en zeide: Is dit niet het grote Babel, dat ik gebouwd heb tot een koninklijk paleis door de kracht van mijn macht en ter eer van mijn majesteit?”
Kruisverwijzingen
Context
Daniël 4 — omringende verzen
Dat men u uit het midden der mensen zal verdrijven, en uw woning bij de dieren des velds zal zijn, en men u gras zal doen eten als de ossen, en de dauw des hemels zal u nat maken, en zeven tijden zullen over u voorbijgaan, totdat gij weet dat de Allerhoogste heerst over het koninkrijk der mensen en het geeft aan wie Hij wil.
26En dat men beval de stomp der boomwortelen te laten staan: uw koninkrijk zal u bestendig zijn, nadat gij erkend hebt dat de hemelen heersen.
27Daarom, o koning, laat mijn raad u welgevallig zijn, en breek met uw zonden door gerechtigheid, en met uw ongerechtigheden door barmhartigheid te bewijzen aan de armen; misschien zal er een verlenging van uw rust zijn.
28Dit alles overkwam de koning Nebukadnezar.
29Aan het einde van twaalf maanden wandelde hij op het dak van het koninklijk paleis van Babel.
De koning nam het woord en zeide: Is dit niet het grote Babel, dat ik gebouwd heb tot een koninklijk paleis door de kracht van mijn macht en ter eer van mijn majesteit?
Nog was het woord in de mond des konings, of er viel een stem uit de hemel: U wordt gezegd, o koning Nebukadnezar, het koninkrijk is van u weggenomen.
32Men zal u uit het midden der mensen verdrijven, en uw woning zal bij de dieren des velds zijn; men zal u gras doen eten als de ossen, en zeven tijden zullen over u voorbijgaan, totdat gij weet dat de Allerhoogste heerst over het koninkrijk der mensen en het geeft aan wie Hij wil.
33Nog diezelfde ure werd de zaak aan Nebukadnezar voltrokken; hij werd uit het midden der mensen verdreven en at gras als de ossen, en zijn lichaam werd nat gemaakt met de dauw des hemels, totdat zijn haar gewassen was als de veren van arenden en zijn nagels als de klauwen van vogels.
34En na verloop van die dagen sloeg ik, Nebukadnezar, mijn ogen op naar de hemel, en mijn verstand keerde tot mij terug, en ik loofde de Allerhoogste en prees en eerde Hem die eeuwig leeft, wiens heerschappij een eeuwige heerschappij is en wiens koninkrijk van geslacht tot geslacht duurt:
35En alle inwoners der aarde worden als niets geacht; en Hij handelt naar Zijn wil in het leger des hemels en onder de inwoners der aarde; en niemand kan Zijn hand tegenhouden of tot Hem zeggen: Wat doet U?