Daniël 4:26
“En dat men beval de stomp der boomwortelen te laten staan: uw koninkrijk zal u bestendig zijn, nadat gij erkend hebt dat de hemelen heersen.”
Kruisverwijzingen
Context
Daniël 4 — omringende verzen
Waarvan de bladeren schoon waren en de vrucht overvloedig, en waaraan voedsel was voor allen; onder welke de dieren des velds woonden, en op wiens takken de vogelen des hemels hun verblijf hadden:
22Gij zijt het, o koning, die groot geworden en sterk zijt; want uw grootheid is gewassen en reikt tot aan de hemel, en uw heerschappij tot aan het einde der aarde.
23En dat de koning een waker en een heilige zag neerdalen uit de hemel, die zeide: Houwt de boom om en vernielt hem; maar laat de stomp zijner wortelen in de aarde, zelfs met een band van ijzer en koper, in het zachte gras des velds; en laat hem nat worden met de dauw des hemels, en zijn deel zij met de dieren des velds, totdat zeven tijden over hem voorbijgaan;
24Dit is de uitlegging, o koning, en dit is het besluit des Allerhoogsten, dat over mijn heer de koning gekomen is:
25Dat men u uit het midden der mensen zal verdrijven, en uw woning bij de dieren des velds zal zijn, en men u gras zal doen eten als de ossen, en de dauw des hemels zal u nat maken, en zeven tijden zullen over u voorbijgaan, totdat gij weet dat de Allerhoogste heerst over het koninkrijk der mensen en het geeft aan wie Hij wil.
En dat men beval de stomp der boomwortelen te laten staan: uw koninkrijk zal u bestendig zijn, nadat gij erkend hebt dat de hemelen heersen.
Daarom, o koning, laat mijn raad u welgevallig zijn, en breek met uw zonden door gerechtigheid, en met uw ongerechtigheden door barmhartigheid te bewijzen aan de armen; misschien zal er een verlenging van uw rust zijn.
28Dit alles overkwam de koning Nebukadnezar.
29Aan het einde van twaalf maanden wandelde hij op het dak van het koninklijk paleis van Babel.
30De koning nam het woord en zeide: Is dit niet het grote Babel, dat ik gebouwd heb tot een koninklijk paleis door de kracht van mijn macht en ter eer van mijn majesteit?
31Nog was het woord in de mond des konings, of er viel een stem uit de hemel: U wordt gezegd, o koning Nebukadnezar, het koninkrijk is van u weggenomen.