Terug naar Daniël 6
VSV
Statenvertaling

Daniël 6:8

Nu dan, o koning, bevestig het besluit en onderteken het schrift, opdat het onveranderlijk zij, overeenkomstig de wet der Meden en Perzen, die niet gewijzigd wordt.

Kruisverwijzingen

Context

Daniël 6 — omringende verzen

3

Toen onderscheidde deze Daniël zich boven de presidenten en de satrapen, omdat er een uitnemende geest in hem was; en de koning was van plan hem over het gehele rijk aan te stellen.

4

Toen zochten de presidenten en de satrapen naar een aanleiding om Daniël te beschuldigen betreffende het koninkrijk; maar zij konden geen enkele aanleiding of fout vinden, want hij was trouw en er werd in hem geen schuld of fout gevonden.

5

Toen zeiden deze mannen: Wij zullen geen enkele aanleiding vinden tegen deze Daniël, tenzij wij die vinden betreffende de wet van zijn God.

6

Toen kwamen deze presidenten en satrapen eensgezind bij de koning en zeiden aldus tot hem: Koning Darius, leef in eeuwigheid.

7

Alle presidenten van het koninkrijk, de stadhouders en de satrapen, de raadslieden en de bevelhebbers, hebben samen beraadslaagd een koninklijk bevel vast te stellen en een onveranderlijk besluit uit te vaardigen, dat al wie binnen dertig dagen een bede richt tot enige god of mens, behalve tot u, o koning, in de leeuwenkuil zal worden geworpen.

8

Nu dan, o koning, bevestig het besluit en onderteken het schrift, opdat het onveranderlijk zij, overeenkomstig de wet der Meden en Perzen, die niet gewijzigd wordt.

9

Daarom ondertekende koning Darius het schrift en het besluit.

10

Toen nu Daniël wist dat het schrift ondertekend was, ging hij naar zijn huis, en zijn vensters in zijn opperzaal stonden open in de richting van Jeruzalem; en hij knielde driemaal per dag op zijn knieën en bad en loofde zijn God, zoals hij voordien gewoon was te doen.

11

Toen kwamen deze mannen bijeen en vonden Daniël biddend en smekend voor zijn God.

12

Toen traden zij nader en spraken voor de koning over het besluit des konings: Hebt gij niet een besluit ondertekend dat ieder mens die binnen dertig dagen een bede richt tot enige god of mens, behalve tot u, o koning, in de leeuwenkuil zal worden geworpen? De koning antwoordde en zeide: De zaak is zeker, overeenkomstig de wet der Meden en Perzen, die niet gewijzigd wordt.

13

Toen antwoordden zij en zeiden voor de koning: Daniël, die van de kinderen der ballingschap van Juda is, acht u niet, o koning, noch het besluit dat u ondertekend hebt, maar doet zijn smeekbede drie maal daags.