Deuteronomium 1:38
“Maar Jozua, de zoon van Nun, die voor u staat, hij zal daar binnengaan; bemoedig hem, want hij zal het Israël doen beërven.”
Kruisverwijzingen
Context
Deuteronomium 1 — omringende verzen
Die voor u uit ging op de weg om voor u een plaats te zoeken om uw tenten op te slaan, des nachts in vuur om u de weg te tonen waarop u gaan moest, en des daags in een wolk.
34En de HEER hoorde de stem van uw woorden en werd toornig, en zwoer, zeggende:
35Geen van deze mannen, van dit boze geslacht, zal dat goede land zien dat Ik gezworen heb uw vaderen te geven,
36behalve Kaleb, de zoon van Jefunne; hij zal het zien, en aan hem zal Ik het land geven waar hij op getreden heeft, en aan zijn kinderen, omdat hij de HEER volkomen gevolgd heeft.
37Ook tegen mij was de HEER toornig om uwentwil, zeggende: Ook u zult daar niet binnengaan.
Maar Jozua, de zoon van Nun, die voor u staat, hij zal daar binnengaan; bemoedig hem, want hij zal het Israël doen beërven.
En uw kleine kinderen, waarvan u zei dat zij tot een roof zouden zijn, en uw kinderen, die op die dag nog geen onderscheid kenden tussen goed en kwaad, zij zullen daar binnengaan, en aan hen zal Ik het geven, en zij zullen het in bezit nemen.
40Maar wat u betreft, keer u om en trek naar de woestijn langs de weg van de Schelfzee.
41Toen antwoordde u en zei tot mij: Wij hebben tegen de HEER gezondigd; wij zullen optrekken en strijden, naar alles wat de HEER, onze God, ons geboden heeft. En toen u allen uw wapenrusting aangegord had, waart u gereed om op het gebergte te trekken.
42En de HEER zei tot mij: Zeg tot hen: Trek niet op en strijd niet, want Ik ben niet in uw midden; opdat u niet verslagen wordt voor het aangezicht van uw vijanden.
43Zo sprak ik tot u, maar u wilde niet horen, en waart ongehoorzaam aan het bevel van de HEER, en trok vermetel op het gebergte.