Deuteronomium 32:19
“En toen de HEER het zag, verwierp Hij hen vanwege de terging van Zijn zonen en van Zijn dochters.”
Kruisverwijzingen
Context
Deuteronomium 32 — omringende verzen
boter van koeien en melk van schapen, met vet van lammeren en rammen van het ras van Basan, en bokken, met het vette van nieren van tarwe, en gij dronkt het zuivere bloed der druif.
15Maar Jesurun werd vet en sloeg achteruit; gij zijt vet geworden, gij zijt dik geworden, gij zijt met vet overdekt; toen verliet hij God Die hem gemaakt had en verachtte de Rots van zijn heil.
16Zij verwekten Hem tot jaloersheid met vreemde goden, met gruwelen verwekten zij Hem tot toorn.
17Zij offerden aan duivels, die geen God zijn, aan goden die zij niet gekend hadden, nieuwe goden die van nabij gekomen waren, die uw vaderen niet gevreesd hebben.
18De Rots Die u verwekt heeft, hebt gij niet geacht, en gij hebt God vergeten Die u voortgebracht heeft.
En toen de HEER het zag, verwierp Hij hen vanwege de terging van Zijn zonen en van Zijn dochters.
En Hij zei: Ik zal Mijn aangezicht voor hen verbergen, Ik zal zien wat hun einde zal zijn, want zij zijn een zeer verkeerd geslacht, kinderen in wie geen trouw is.
21Zij hebben Mij tot jaloersheid verwekt met wat geen God is, zij hebben Mij tot toorn verwekt met hun ijdelheden; en Ik zal hen tot jaloersheid verwekken met degenen die geen volk zijn, Ik zal hen tot toorn verwekken met een dwaas volk.
22Want een vuur is ontbrand in Mijn toorn en zal branden tot in het diepste van het dodenrijk, en het zal de aarde met haar opbrengst verteren en de fundamenten der bergen in brand zetten.
23Ik zal rampen op hen stapelen, Ik zal Mijn pijlen tegen hen verschieten.
24Zij zullen verteerd worden door honger en verslonden door brandende hitte en bittere verderf; Ik zal ook de tanden van wilde dieren op hen loslaten, met het venijn van slangen des stofs.