Deuteronomium 32:5
“Zij hebben zich verdorven; hun smet is niet die van Zijn kinderen; zij zijn een verkeerd en verdraaid geslacht.”
Kruisverwijzingen
Context
Deuteronomium 32 — omringende verzen
Luistert, gij hemelen, en ik zal spreken; en hoor, o aarde, de woorden van mijn mond.
2Mijn leer druipe als de regen, mijn rede vloeie neder als de dauw, als een zachte regen op het jonge groen en als regenbuien op het gras.
3Want ik zal de Naam des HEREN verkondigen; geeft grootheid aan onze God.
4Hij is de Rots, Zijn werk is volmaakt, want al Zijn wegen zijn recht; een God der waarheid en zonder ongerechtigheid, rechtvaardig en oprecht is Hij.
Zij hebben zich verdorven; hun smet is niet die van Zijn kinderen; zij zijn een verkeerd en verdraaid geslacht.
Vergelt gij aldus de HEER, gij dwaas en onwijs volk? Is Hij niet uw Vader Die u gekocht heeft? Heeft Hij u niet gemaakt en u bevestigd?
7Gedenk de dagen van ouds, overweeg de jaren van vele geslachten; vraag het uw vader en hij zal het u verkondigen, uw oudsten en zij zullen het u zeggen.
8Toen de Allerhoogste aan de volken hun erfdeel uitdeelde, toen Hij de mensenkinderen van elkaar scheidde, heeft Hij de grenzen der volken vastgesteld naar het getal der kinderen van Israël.
9Want het deel des HEREN is Zijn volk; Jakob is het snoer van Zijn erfdeel.
10Hij vond hem in een land der woestijn en in de wildernis, het gehuil der woestheid; Hij leidde hem rondom, Hij onderwees hem, Hij bewaarde hem als Zijn oogappel.