Deuteronomium 9:10
“En de HEER gaf mij twee stenen tafelen, beschreven met de vinger van God; en daarop stond geschreven alles naar de woorden die de HEER op de berg tot u gesproken had uit het midden van het vuur, op de dag van de samenkomst.”
Kruisverwijzingen
Context
Deuteronomium 9 — omringende verzen
Niet om uw gerechtigheid of om de oprechtheid van uw hart gaat gij hun land innemen; maar om de goddeloosheid van deze volken verdrijft de HEER uw God hen voor u uit, en opdat Hij het woord gestand doe dat de HEER uw vaderen Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft.
6Weet dan dat de HEER uw God u dit goede land niet geeft om het in te nemen vanwege uw gerechtigheid, want gij zijt een hardnekkig volk.
7Gedenk en vergeet niet hoe gij de HEER uw God tot toorn hebt verwekt in de woestijn; van de dag dat gij uit het land Egypte uittrok, totdat gij op deze plaats aankwaamt, zijt gij weerspannig geweest tegen de HEER.
8Ook bij Horeb hebt gij de HEER tot toorn verwekt, zodat de HEER toornig op u was om u te verdelgen.
9Toen ik de berg op gegaan was om de stenen tafelen te ontvangen, de tafelen van het verbond dat de HEER met u gemaakt had, bleef ik veertig dagen en veertig nachten op de berg; ik at geen brood en dronk geen water;
En de HEER gaf mij twee stenen tafelen, beschreven met de vinger van God; en daarop stond geschreven alles naar de woorden die de HEER op de berg tot u gesproken had uit het midden van het vuur, op de dag van de samenkomst.
En het geschiedde na verloop van veertig dagen en veertig nachten dat de HEER mij de twee stenen tafelen gaf, de tafelen van het verbond.
12En de HEER zei tot mij: Sta op, daal haastig van hier af, want uw volk dat gij uit Egypte hebt uitgeleid, heeft zichzelf verdorven; zij zijn snel afgeweken van de weg die Ik hun geboden had; zij hebben zichzelf een gegoten beeld gemaakt.
13Verder sprak de HEER tot mij: Ik zie dat dit volk een hardnekkig volk is;
14Laat Mij begaan, dat Ik hen verdelg en hun naam van onder de hemel uitwisse; en Ik zal van u een volk maken dat machtiger en groter is dan zij.
15Toen keerde ik mij om en daalde van de berg af, en de berg stond in brand; de twee tafelen van het verbond waren in mijn beide handen.