Terug naar Deuteronomium 9
VSV
Statenvertaling

Deuteronomium 9:7

Gedenk en vergeet niet hoe gij de HEER uw God tot toorn hebt verwekt in de woestijn; van de dag dat gij uit het land Egypte uittrok, totdat gij op deze plaats aankwaamt, zijt gij weerspannig geweest tegen de HEER.

Kruisverwijzingen

Context

Deuteronomium 9 — omringende verzen

2

Een groot en lang volk, de kinderen der Enakieten, die gij kent en van wie gij gehoord hebt: Wie kan standhouden voor de kinderen van Enak!

3

Weet dan heden dat de HEER uw God Degene is Die voor u uit trekt; als een verterend vuur zal Hij hen vernietigen en Hij zal hen voor uw aangezicht neerwerpen; zo zult gij hen verdrijven en hen snel verdelgen, zoals de HEER u gezegd heeft.

4

Zeg niet in uw hart, nadat de HEER uw God hen voor u heeft uitgestoten: Om mijn gerechtigheid heeft de HEER mij dit land laten innemen; maar om de goddeloosheid van deze volken verdrijft de HEER hen voor u uit.

5

Niet om uw gerechtigheid of om de oprechtheid van uw hart gaat gij hun land innemen; maar om de goddeloosheid van deze volken verdrijft de HEER uw God hen voor u uit, en opdat Hij het woord gestand doe dat de HEER uw vaderen Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft.

6

Weet dan dat de HEER uw God u dit goede land niet geeft om het in te nemen vanwege uw gerechtigheid, want gij zijt een hardnekkig volk.

7

Gedenk en vergeet niet hoe gij de HEER uw God tot toorn hebt verwekt in de woestijn; van de dag dat gij uit het land Egypte uittrok, totdat gij op deze plaats aankwaamt, zijt gij weerspannig geweest tegen de HEER.

8

Ook bij Horeb hebt gij de HEER tot toorn verwekt, zodat de HEER toornig op u was om u te verdelgen.

9

Toen ik de berg op gegaan was om de stenen tafelen te ontvangen, de tafelen van het verbond dat de HEER met u gemaakt had, bleef ik veertig dagen en veertig nachten op de berg; ik at geen brood en dronk geen water;

10

En de HEER gaf mij twee stenen tafelen, beschreven met de vinger van God; en daarop stond geschreven alles naar de woorden die de HEER op de berg tot u gesproken had uit het midden van het vuur, op de dag van de samenkomst.

11

En het geschiedde na verloop van veertig dagen en veertig nachten dat de HEER mij de twee stenen tafelen gaf, de tafelen van het verbond.

12

En de HEER zei tot mij: Sta op, daal haastig van hier af, want uw volk dat gij uit Egypte hebt uitgeleid, heeft zichzelf verdorven; zij zijn snel afgeweken van de weg die Ik hun geboden had; zij hebben zichzelf een gegoten beeld gemaakt.