Terug naar Deuteronomium 9
VSV
Statenvertaling

Deuteronomium 9:5

Niet om uw gerechtigheid of om de oprechtheid van uw hart gaat gij hun land innemen; maar om de goddeloosheid van deze volken verdrijft de HEER uw God hen voor u uit, en opdat Hij het woord gestand doe dat de HEER uw vaderen Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft.

Kruisverwijzingen

Context

Deuteronomium 9 — omringende verzen

1

Hoor, Israël: gij zult heden over de Jordaan trekken om volken in te gaan die groter en machtiger zijn dan gij, steden groot en tot in de hemel versterkt,

2

Een groot en lang volk, de kinderen der Enakieten, die gij kent en van wie gij gehoord hebt: Wie kan standhouden voor de kinderen van Enak!

3

Weet dan heden dat de HEER uw God Degene is Die voor u uit trekt; als een verterend vuur zal Hij hen vernietigen en Hij zal hen voor uw aangezicht neerwerpen; zo zult gij hen verdrijven en hen snel verdelgen, zoals de HEER u gezegd heeft.

4

Zeg niet in uw hart, nadat de HEER uw God hen voor u heeft uitgestoten: Om mijn gerechtigheid heeft de HEER mij dit land laten innemen; maar om de goddeloosheid van deze volken verdrijft de HEER hen voor u uit.

5

Niet om uw gerechtigheid of om de oprechtheid van uw hart gaat gij hun land innemen; maar om de goddeloosheid van deze volken verdrijft de HEER uw God hen voor u uit, en opdat Hij het woord gestand doe dat de HEER uw vaderen Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft.

6

Weet dan dat de HEER uw God u dit goede land niet geeft om het in te nemen vanwege uw gerechtigheid, want gij zijt een hardnekkig volk.

7

Gedenk en vergeet niet hoe gij de HEER uw God tot toorn hebt verwekt in de woestijn; van de dag dat gij uit het land Egypte uittrok, totdat gij op deze plaats aankwaamt, zijt gij weerspannig geweest tegen de HEER.

8

Ook bij Horeb hebt gij de HEER tot toorn verwekt, zodat de HEER toornig op u was om u te verdelgen.

9

Toen ik de berg op gegaan was om de stenen tafelen te ontvangen, de tafelen van het verbond dat de HEER met u gemaakt had, bleef ik veertig dagen en veertig nachten op de berg; ik at geen brood en dronk geen water;

10

En de HEER gaf mij twee stenen tafelen, beschreven met de vinger van God; en daarop stond geschreven alles naar de woorden die de HEER op de berg tot u gesproken had uit het midden van het vuur, op de dag van de samenkomst.