Exodus 12:45
“Een uitlander en een dagloner mogen daarvan niet eten.”
Kruisverwijzingen
Context
Exodus 12 — omringende verzen
De verblijftijd nu van de kinderen van Israël, die in Egypte gewoond hadden, was vierhonderd en dertig jaar.
41En het geschiedde aan het einde van de vierhonderd en dertig jaar, op diezelfde dag, dat al de legers van de HEER uit het land Egypte trokken.
42Het is een nacht die de HEER ter ere gehouden moet worden, omdat Hij hen uit het land Egypte geleid heeft: dit is die nacht van de HEER, die door alle kinderen van Israël in hun geslachten gehouden moet worden.
43En de HEER zeide tot Mozes en Aäron: Dit is de inzetting van het pascha: geen vreemdeling mag daarvan eten.
44Maar elke slaaf die voor geld gekocht is, wanneer gij hem besneden hebt, dan mag hij daarvan eten.
Een uitlander en een dagloner mogen daarvan niet eten.
In één huis moet het gegeten worden; gij zult niets van het vlees buiten het huis brengen; en gij zult geen been daarvan breken.
47De gehele vergadering van Israël zal dit houden.
48En wanneer een vreemdeling bij u verblijft en het pascha voor de HEER wil houden, laat dan al zijn mannen besneden worden, en dan mag hij naderen om het te houden; en hij zal zijn als een inboorling van het land; maar geen onbesnedene mag daarvan eten.
49Eén wet zal gelden voor de inboorling en voor de vreemdeling die bij u verblijft.
50Zo deden al de kinderen van Israël; zoals de HEER Mozes en Aäron geboden had, zo deden zij.