Exodus 12:48
“En wanneer een vreemdeling bij u verblijft en het pascha voor de HEER wil houden, laat dan al zijn mannen besneden worden, en dan mag hij naderen om het te houden; en hij zal zijn als een inboorling van het land; maar geen onbesnedene mag daarvan eten.”
Kruisverwijzingen
Context
Exodus 12 — omringende verzen
En de HEER zeide tot Mozes en Aäron: Dit is de inzetting van het pascha: geen vreemdeling mag daarvan eten.
44Maar elke slaaf die voor geld gekocht is, wanneer gij hem besneden hebt, dan mag hij daarvan eten.
45Een uitlander en een dagloner mogen daarvan niet eten.
46In één huis moet het gegeten worden; gij zult niets van het vlees buiten het huis brengen; en gij zult geen been daarvan breken.
47De gehele vergadering van Israël zal dit houden.
En wanneer een vreemdeling bij u verblijft en het pascha voor de HEER wil houden, laat dan al zijn mannen besneden worden, en dan mag hij naderen om het te houden; en hij zal zijn als een inboorling van het land; maar geen onbesnedene mag daarvan eten.
Eén wet zal gelden voor de inboorling en voor de vreemdeling die bij u verblijft.
50Zo deden al de kinderen van Israël; zoals de HEER Mozes en Aäron geboden had, zo deden zij.
51En het geschiedde op diezelfde dag, dat de HEER de kinderen van Israël uit het land Egypte leidde, met hun legers.