Exodus 2:20
“En hij zeide tot zijn dochters: En waar is hij? Waarom hebt gij de man daar gelaten? Roep hem, opdat hij brood ete.”
Kruisverwijzingen
Context
Exodus 2 — omringende verzen
Toen nu Farao deze zaak hoorde, zocht hij Mozes te doden. Maar Mozes vluchtte voor het aangezicht van Farao en woonde in het land Midian; en hij zat neer bij een put.
16De priester van Midian nu had zeven dochters; en zij kwamen en putten water en vulden de drinkbakken om de kudde van hun vader te drenken.
17En de herders kwamen en dreven haar weg; maar Mozes stond op en hielp haar, en drenkte hun kudde.
18En toen zij bij hun vader Reüel kwamen, zeide hij: Hoe komt het dat gij heden zo spoedig hier zijt?
19En zij zeiden: Een Egyptenaar heeft ons gered uit de hand van de herders, en heeft ook genoeg water voor ons geput en de kudde gedrenkt.
En hij zeide tot zijn dochters: En waar is hij? Waarom hebt gij de man daar gelaten? Roep hem, opdat hij brood ete.
En Mozes was tevreden om bij de man te wonen; en hij gaf Mozes zijn dochter Zippora ten huwelijk.
22En zij baarde hem een zoon, en hij noemde zijn naam Gersom; want hij zeide: Ik ben een vreemdeling geweest in een vreemd land.
23En het geschiedde na vele dagen, dat de koning van Egypte stierf; en de kinderen Israëls zuchtten vanwege de slavernij, en zij riepen, en hun geroep steeg op tot God vanwege de slavernij.
24En God hoorde hun gekerm, en God gedacht aan Zijn verbond met Abraham, met Izak en met Jakob.
25En God zag de kinderen Israëls aan, en God kende hen.