Exodus 33:17
“En de HEER zei tot Mozes: Ook deze zaak die gij gesproken hebt, zal Ik doen; want gij hebt genade gevonden in Mijn ogen, en Ik ken u bij name.”
Kruisverwijzingen
Context
Exodus 33 — omringende verzen
En Mozes zei tot de HEER: Zie, Gij zegt tot mij: Leid dit volk op; maar Gij hebt mij niet laten weten wie Gij met mij zult zenden. Nochtans hebt Gij gezegd: Ik ken u bij name, en gij hebt ook genade gevonden in Mijn ogen.
13Nu dan, als ik genade gevonden heb in Uw ogen, toon mij toch Uw weg, opdat ik U kenne en genade vinde in Uw ogen; en bedenk dat dit volk Uw volk is.
14En Hij zei: Mijn aangezicht zal met u meegaan, en Ik zal u rust geven.
15En hij zei tot Hem: Als Uw aangezicht niet met ons meegaat, voer ons dan niet van hier op.
16Want waaruit zal hier bekend worden dat ik en Uw volk genade gevonden hebben in Uw ogen? Is het niet daarin, dat Gij met ons meetrekt? Zo zullen wij afgezonderd zijn, ik en Uw volk, van al de volken die op het aardoppervlak zijn.
En de HEER zei tot Mozes: Ook deze zaak die gij gesproken hebt, zal Ik doen; want gij hebt genade gevonden in Mijn ogen, en Ik ken u bij name.
En hij zei: Ik bid U, toon mij Uw heerlijkheid.
19En Hij zei: Ik zal al Mijn goedheid voor uw aangezicht voorbij doen gaan, en Ik zal de naam van de HEER voor u uitroepen; en Ik zal genadig zijn voor wie Ik genadig zal zijn, en Ik zal Mij ontfermen over wie Ik Mij ontfermen zal.
20En Hij zei: Gij kunt Mijn aangezicht niet zien, want geen mens zal Mij zien en leven.
21En de HEER zei: Zie, er is een plaats bij Mij, en gij zult op een rots staan.
22En het zal geschieden, terwijl Mijn heerlijkheid voorbijgaat, dat Ik u in een spleet van de rots zal plaatsen, en Ik zal u met Mijn hand bedekken terwijl Ik voorbijga.