Terug naar Ezechiël 20
VSV
Statenvertaling

Ezechiël 20:30

Zeg daarom tot het huis van Israël: Zo zegt de Heer HEER: Verontreinigt gij u op de wijze van uw vaderen? en pleegt gij hoererij naar hun gruwelen?

Kruisverwijzingen

Context

Ezechiël 20 — omringende verzen

25

Daarom gaf Ik hun ook inzettingen die niet goed waren, en rechten waardoor zij niet leven zouden;

26

En Ik verontreinigde hen door hun eigen gaven, doordat zij al wat de moederschoot opent door het vuur lieten gaan, opdat Ik hen verwoesten zou, opdat zij zouden weten dat Ik de HEER ben.

27

Daarom, mensenkind, spreek tot het huis van Israël, en zeg tot hen: Zo zegt de Heer HEER: Hierin hebben uw vaderen Mij ook gelasterd, doordat zij een overtreding tegen Mij hebben begaan.

28

Want toen Ik hen had gebracht in het land, waarvoor Ik Mijn hand opgericht had om het hun te geven, zagen zij elke hoge heuvel, en alle dichte bomen, en zij brachten daar hun offeranden, en daar presenteerden zij de verbittering van hun offergave: daar maakten zij ook hun liefelijke reuk, en goten daar hun drankoffers uit.

29

Toen zeide Ik tot hen: Wat is de hoogte waarheen gij gaat? En de naam daarvan wordt Bama genoemd tot op deze dag.

30

Zeg daarom tot het huis van Israël: Zo zegt de Heer HEER: Verontreinigt gij u op de wijze van uw vaderen? en pleegt gij hoererij naar hun gruwelen?

31

Want wanneer gij uw gaven offert, wanneer gij uw zonen door het vuur laat gaan, verontreinigt gij uzelf met al uw afgoden, tot op deze dag: en zal Ik Mij door u laten raadplegen, O huis van Israël? Zo waarlijk als Ik leef, zegt de Heer HEER, Ik zal Mij niet door u laten raadplegen.

32

En hetgeen in uw gedachten opkomt, zal geenszins geschieden, dat gij zegt: Wij zullen zijn als de heidenen, als de geslachten der landen, om hout en steen te dienen.

33

Zo waarlijk als Ik leef, zegt de Heer HEER, voorzeker zal Ik over u regeren met een sterke hand, en met een uitgestrekte arm, en met uitgestorte grimmigheid:

34

En Ik zal u uitvoeren van onder de volken, en u vergaderen uit de landen waarheen gij verstrooid zijt, met een sterke hand, en met een uitgestrekte arm, en met uitgestorte grimmigheid.

35

En Ik zal u brengen in de woestijn der volken, en Ik zal daar met u rechten, van aangezicht tot aangezicht.