Ezechiël 20:33
“Zo waarlijk als Ik leef, zegt de Heer HEER, voorzeker zal Ik over u regeren met een sterke hand, en met een uitgestrekte arm, en met uitgestorte grimmigheid:”
Kruisverwijzingen
Context
Ezechiël 20 — omringende verzen
Want toen Ik hen had gebracht in het land, waarvoor Ik Mijn hand opgericht had om het hun te geven, zagen zij elke hoge heuvel, en alle dichte bomen, en zij brachten daar hun offeranden, en daar presenteerden zij de verbittering van hun offergave: daar maakten zij ook hun liefelijke reuk, en goten daar hun drankoffers uit.
29Toen zeide Ik tot hen: Wat is de hoogte waarheen gij gaat? En de naam daarvan wordt Bama genoemd tot op deze dag.
30Zeg daarom tot het huis van Israël: Zo zegt de Heer HEER: Verontreinigt gij u op de wijze van uw vaderen? en pleegt gij hoererij naar hun gruwelen?
31Want wanneer gij uw gaven offert, wanneer gij uw zonen door het vuur laat gaan, verontreinigt gij uzelf met al uw afgoden, tot op deze dag: en zal Ik Mij door u laten raadplegen, O huis van Israël? Zo waarlijk als Ik leef, zegt de Heer HEER, Ik zal Mij niet door u laten raadplegen.
32En hetgeen in uw gedachten opkomt, zal geenszins geschieden, dat gij zegt: Wij zullen zijn als de heidenen, als de geslachten der landen, om hout en steen te dienen.
Zo waarlijk als Ik leef, zegt de Heer HEER, voorzeker zal Ik over u regeren met een sterke hand, en met een uitgestrekte arm, en met uitgestorte grimmigheid:
En Ik zal u uitvoeren van onder de volken, en u vergaderen uit de landen waarheen gij verstrooid zijt, met een sterke hand, en met een uitgestrekte arm, en met uitgestorte grimmigheid.
35En Ik zal u brengen in de woestijn der volken, en Ik zal daar met u rechten, van aangezicht tot aangezicht.
36Gelijk als Ik rechtte met uw vaderen in de woestijn van het land Egypte, alzo zal Ik met u rechten, zegt de Heer HEER.
37En Ik zal u onder de roede doen doorgaan, en u brengen in de band des verbonds:
38En Ik zal uit uw midden de afvalligen uitzuiveren, en degenen die tegen Mij overtreden: Ik zal hen uitvoeren uit het land waar zij vertoeven, maar zij zullen in het land Israël niet komen; en gij zult weten dat Ik de HEER ben.