Terug naar Ezechiël 20
VSV
Statenvertaling

Ezechiël 20:34

En Ik zal u uitvoeren van onder de volken, en u vergaderen uit de landen waarheen gij verstrooid zijt, met een sterke hand, en met een uitgestrekte arm, en met uitgestorte grimmigheid.

Kruisverwijzingen

Context

Ezechiël 20 — omringende verzen

29

Toen zeide Ik tot hen: Wat is de hoogte waarheen gij gaat? En de naam daarvan wordt Bama genoemd tot op deze dag.

30

Zeg daarom tot het huis van Israël: Zo zegt de Heer HEER: Verontreinigt gij u op de wijze van uw vaderen? en pleegt gij hoererij naar hun gruwelen?

31

Want wanneer gij uw gaven offert, wanneer gij uw zonen door het vuur laat gaan, verontreinigt gij uzelf met al uw afgoden, tot op deze dag: en zal Ik Mij door u laten raadplegen, O huis van Israël? Zo waarlijk als Ik leef, zegt de Heer HEER, Ik zal Mij niet door u laten raadplegen.

32

En hetgeen in uw gedachten opkomt, zal geenszins geschieden, dat gij zegt: Wij zullen zijn als de heidenen, als de geslachten der landen, om hout en steen te dienen.

33

Zo waarlijk als Ik leef, zegt de Heer HEER, voorzeker zal Ik over u regeren met een sterke hand, en met een uitgestrekte arm, en met uitgestorte grimmigheid:

34

En Ik zal u uitvoeren van onder de volken, en u vergaderen uit de landen waarheen gij verstrooid zijt, met een sterke hand, en met een uitgestrekte arm, en met uitgestorte grimmigheid.

35

En Ik zal u brengen in de woestijn der volken, en Ik zal daar met u rechten, van aangezicht tot aangezicht.

36

Gelijk als Ik rechtte met uw vaderen in de woestijn van het land Egypte, alzo zal Ik met u rechten, zegt de Heer HEER.

37

En Ik zal u onder de roede doen doorgaan, en u brengen in de band des verbonds:

38

En Ik zal uit uw midden de afvalligen uitzuiveren, en degenen die tegen Mij overtreden: Ik zal hen uitvoeren uit het land waar zij vertoeven, maar zij zullen in het land Israël niet komen; en gij zult weten dat Ik de HEER ben.

39

Maar gij, O huis van Israël, zo zegt de Heer HEER: Gaat heen, dient ieder zijn afgoden, en voortaan ook, indien gij naar Mij niet wilt horen: maar ontheiligt Mijn heilige naam niet meer met uw gaven, en met uw afgoden.