Ezechiël 32:18
“Mensenkind, weeklaag over de menigte van Egypte, en werp haar neer, haar en de dochters der beroemde volken, in de onderste delen der aarde, met hen die nederdalen in de kuil.”
Kruisverwijzingen
Context
Ezechiël 32 — omringende verzen
Ik zal ook al zijn gedierte verdelgen van naast de grote wateren; en de voet des mensen zal ze niet meer verontrusten, noch de hoeven van het vee ze beroeren.
14Dan zal Ik hun wateren stil maken, en hun rivieren als olie doen vloeien, zegt de Heer HEER.
15Wanneer Ik het land van Egypte woest zal maken, en het land ontbloot zal zijn van datgene waarmede het vervuld was, wanneer Ik allen die daarin wonen zal slaan, dan zullen zij weten dat Ik de HEER ben.
16Dit is het klaaglied waarmede zij haar zullen bewenen; de dochters der volken zullen haar bewenen; over Egypte en over al zijn menigte zullen zij klagen, zegt de Heer HEER.
17En het geschiedde ook in het twaalfde jaar, op de vijftiende dag der maand, dat het woord des HEREN tot mij kwam, zeggende:
Mensenkind, weeklaag over de menigte van Egypte, en werp haar neer, haar en de dochters der beroemde volken, in de onderste delen der aarde, met hen die nederdalen in de kuil.
Wien overtreft gij in schoonheid? Daal neder, en word gelegd bij de onbesnedenen.
20Zij zullen vallen in het midden van hen die gevallen zijn door het zwaard; zij is overgegeven aan het zwaard; trek haar weg met al haar menigten.
21De sterken onder de machtigen zullen tot hem spreken vanuit het midden van het dodenrijk, met hen die hem geholpen hebben; zij zijn nedergegaan, zij liggen als onbesnedenen, gevallen door het zwaard.
22Assur is daar met al zijn gezelschap; zijn graven zijn rondom hem; allen zijn gevallen, gesneuveld door het zwaard.
23Wiens graven zijn gesteld in de zijden van de kuil, en zijn gezelschap is rondom zijn graf; allen zijn gevallen, gesneuveld door het zwaard, die schrik veroorzaakten in het land der levenden.