Ezechiël 32:23
“Wiens graven zijn gesteld in de zijden van de kuil, en zijn gezelschap is rondom zijn graf; allen zijn gevallen, gesneuveld door het zwaard, die schrik veroorzaakten in het land der levenden.”
Kruisverwijzingen
Context
Ezechiël 32 — omringende verzen
Mensenkind, weeklaag over de menigte van Egypte, en werp haar neer, haar en de dochters der beroemde volken, in de onderste delen der aarde, met hen die nederdalen in de kuil.
19Wien overtreft gij in schoonheid? Daal neder, en word gelegd bij de onbesnedenen.
20Zij zullen vallen in het midden van hen die gevallen zijn door het zwaard; zij is overgegeven aan het zwaard; trek haar weg met al haar menigten.
21De sterken onder de machtigen zullen tot hem spreken vanuit het midden van het dodenrijk, met hen die hem geholpen hebben; zij zijn nedergegaan, zij liggen als onbesnedenen, gevallen door het zwaard.
22Assur is daar met al zijn gezelschap; zijn graven zijn rondom hem; allen zijn gevallen, gesneuveld door het zwaard.
Wiens graven zijn gesteld in de zijden van de kuil, en zijn gezelschap is rondom zijn graf; allen zijn gevallen, gesneuveld door het zwaard, die schrik veroorzaakten in het land der levenden.
Daar is Elam met al zijn menigte rondom zijn graf; allen zijn gevallen, gesneuveld door het zwaard, die onbesneden zijn nedergegaan in de onderste delen der aarde, die hun schrik veroorzaakten in het land der levenden; en zij dragen hun schande met hen die nederdalen in de kuil.
25Men heeft hem een rustplaats bereid in het midden der gevallenen met al zijn menigte; zijn graven zijn rondom hem; allen zijn onbesneden, gevallen door het zwaard; hoewel hun schrik veroorzaakt werd in het land der levenden, dragen zij toch hun schande met hen die nederdalen in de kuil; hij is gelegd in het midden van hen die gevallen zijn.
26Daar is Mesech, Tubal en al zijn menigte; zijn graven zijn rondom hem; allen zijn onbesneden, gevallen door het zwaard, hoewel zij hun schrik veroorzaakten in het land der levenden.
27En zij zullen niet liggen bij de gevallen machtigen der onbesnedenen, die met hun oorlogswapenen zijn nedergegaan in het dodenrijk; en zij hebben hun zwaarden onder hun hoofden gelegd, maar hun ongerechtigheden zullen op hun beenderen zijn, hoewel zij de schrik der machtigen waren in het land der levenden.
28Ja, gij zult worden gebroken in het midden der onbesnedenen, en liggen met hen die gevallen zijn door het zwaard.