Terug naar Ezechiël 32
VSV
Statenvertaling

Ezechiël 32:25

Men heeft hem een rustplaats bereid in het midden der gevallenen met al zijn menigte; zijn graven zijn rondom hem; allen zijn onbesneden, gevallen door het zwaard; hoewel hun schrik veroorzaakt werd in het land der levenden, dragen zij toch hun schande met hen die nederdalen in de kuil; hij is gelegd in het midden van hen die gevallen zijn.

Kruisverwijzingen

Context

Ezechiël 32 — omringende verzen

20

Zij zullen vallen in het midden van hen die gevallen zijn door het zwaard; zij is overgegeven aan het zwaard; trek haar weg met al haar menigten.

21

De sterken onder de machtigen zullen tot hem spreken vanuit het midden van het dodenrijk, met hen die hem geholpen hebben; zij zijn nedergegaan, zij liggen als onbesnedenen, gevallen door het zwaard.

22

Assur is daar met al zijn gezelschap; zijn graven zijn rondom hem; allen zijn gevallen, gesneuveld door het zwaard.

23

Wiens graven zijn gesteld in de zijden van de kuil, en zijn gezelschap is rondom zijn graf; allen zijn gevallen, gesneuveld door het zwaard, die schrik veroorzaakten in het land der levenden.

24

Daar is Elam met al zijn menigte rondom zijn graf; allen zijn gevallen, gesneuveld door het zwaard, die onbesneden zijn nedergegaan in de onderste delen der aarde, die hun schrik veroorzaakten in het land der levenden; en zij dragen hun schande met hen die nederdalen in de kuil.

25

Men heeft hem een rustplaats bereid in het midden der gevallenen met al zijn menigte; zijn graven zijn rondom hem; allen zijn onbesneden, gevallen door het zwaard; hoewel hun schrik veroorzaakt werd in het land der levenden, dragen zij toch hun schande met hen die nederdalen in de kuil; hij is gelegd in het midden van hen die gevallen zijn.

26

Daar is Mesech, Tubal en al zijn menigte; zijn graven zijn rondom hem; allen zijn onbesneden, gevallen door het zwaard, hoewel zij hun schrik veroorzaakten in het land der levenden.

27

En zij zullen niet liggen bij de gevallen machtigen der onbesnedenen, die met hun oorlogswapenen zijn nedergegaan in het dodenrijk; en zij hebben hun zwaarden onder hun hoofden gelegd, maar hun ongerechtigheden zullen op hun beenderen zijn, hoewel zij de schrik der machtigen waren in het land der levenden.

28

Ja, gij zult worden gebroken in het midden der onbesnedenen, en liggen met hen die gevallen zijn door het zwaard.

29

Daar is Edom, haar koningen en al haar vorsten, die met hun macht zijn gelegd bij hen die gevallen zijn door het zwaard; zij zullen liggen bij de onbesnedenen en bij hen die nederdalen in de kuil.

30

Daar zijn de vorsten van het noorden, allen tezamen, en alle Sidoniërs, die zijn nedergegaan bij de gevallenen; beschaamd over hun macht liggen zij onbesneden bij hen die gevallen zijn door het zwaard, en dragen hun schande met hen die nederdalen in de kuil.