Ezra 2:6
“De kinderen van Pahat-Moab, van de kinderen van Jesua en Joab, tweeduizend achthonderd en twaalf.”
Kruisverwijzingen
Context
Ezra 2 — omringende verzen
Dit nu zijn de kinderen van de provincie die optrokken uit de ballingschap, van hen die weggevoerd waren, die Nebukadnezar, de koning van Babel, naar Babel had weggevoerd, en die terugkeerden naar Jeruzalem en Juda, ieder naar zijn stad;
2Die meekwamen met Zerubbabel: Jesua, Nehemia, Seraja, Reëlaja, Mordechai, Bilsan, Mizpar, Bigvai, Rehum, Baäna. Het getal der mannen van het volk Israël:
3De kinderen van Paros, tweeduizend honderd twee en zeventig.
4De kinderen van Sefatja, driehonderd twee en zeventig.
5De kinderen van Ara, zevenhonderd vijf en zeventig.
De kinderen van Pahat-Moab, van de kinderen van Jesua en Joab, tweeduizend achthonderd en twaalf.
De kinderen van Elam, duizend tweehonderd vier en vijftig.
8De kinderen van Zattu, negenhonderd vijf en veertig.
9De kinderen van Zakkái, zevenhonderd en zestig.
10De kinderen van Bani, zeshonderd twee en veertig.
11De kinderen van Bebai, zeshonderd drie en twintig.