Terug naar Ezra 4
VSV
Statenvertaling

Ezra 4:17

Toen zond de koning een antwoord aan Rehum de kanselier en aan Simsai de schrijver en aan de rest van hun metgezellen die in Samaria wonen, en aan de rest die aan gene zijde van de rivier zijn: Vrede, en wel nu.

Kruisverwijzingen

Context

Ezra 4 — omringende verzen

12

Het zij de koning bekend dat de Joden die van u tot ons zijn opgekomen, naar Jeruzalem zijn gekomen en de opstandige en slechte stad bouwen, en de muren hebben opgericht en de fundamenten hebben gelegd.

13

Het zij nu de koning bekend dat, indien deze stad gebouwd wordt en de muren wederom opgericht worden, zij geen tol, schatting en cijns zullen betalen, en gij schade zult toebrengen aan de inkomsten der koningen.

14

Nu omdat wij ondersteund worden vanuit het koninklijk paleis, en het ons niet betaamde de oneer van de koning te aanschouwen, hebben wij gezonden en de koning ingelicht;

15

Opdat er gezocht worde in het boek der kronieken van uw vaderen; zo zult gij in het boek der kronieken vinden en weten dat deze stad een opstandige stad is, en schadelijk voor koningen en provincies, en dat zij van oudsher oproer binnen haar muren hebben verwekt; om welke reden deze stad verwoest is.

16

Wij berichten de koning dat, indien deze stad wederom gebouwd wordt en de muren ervan worden opgericht, gij daardoor geen bezit zult hebben aan deze zijde van de rivier.

17

Toen zond de koning een antwoord aan Rehum de kanselier en aan Simsai de schrijver en aan de rest van hun metgezellen die in Samaria wonen, en aan de rest die aan gene zijde van de rivier zijn: Vrede, en wel nu.

18

De brief die gij ons hebt gezonden, is duidelijk voor mij voorgelezen.

19

En ik heb bevel gegeven, en er is onderzoek gedaan, en het is bevonden dat deze stad vanouds opstand heeft gemaakt tegen koningen, en dat er rebellie en oproer in haar zijn bedreven.

20

Er zijn ook machtige koningen over Jeruzalem geweest, die geheerst hebben over alles aan gene zijde van de rivier; en tol, schatting en cijns werden aan hen betaald.

21

Geeft nu bevel om deze mannen te doen ophouden, en dat deze stad niet gebouwd worde, totdat er een ander bevel van mij gegeven zal worden.

22

Ziet er nu op toe dat gij hierin niet nalaat: waarom zou de schade toenemen tot nadeel van de koningen?