Ezra 4:16
“Wij berichten de koning dat, indien deze stad wederom gebouwd wordt en de muren ervan worden opgericht, gij daardoor geen bezit zult hebben aan deze zijde van de rivier.”
Kruisverwijzingen
Context
Ezra 4 — omringende verzen
Dit is de inhoud van de brief die zij hem zonden, namelijk aan koning Artaxerxes: Uw dienaren, de mannen aan deze zijde van de rivier, en wel nu.
12Het zij de koning bekend dat de Joden die van u tot ons zijn opgekomen, naar Jeruzalem zijn gekomen en de opstandige en slechte stad bouwen, en de muren hebben opgericht en de fundamenten hebben gelegd.
13Het zij nu de koning bekend dat, indien deze stad gebouwd wordt en de muren wederom opgericht worden, zij geen tol, schatting en cijns zullen betalen, en gij schade zult toebrengen aan de inkomsten der koningen.
14Nu omdat wij ondersteund worden vanuit het koninklijk paleis, en het ons niet betaamde de oneer van de koning te aanschouwen, hebben wij gezonden en de koning ingelicht;
15Opdat er gezocht worde in het boek der kronieken van uw vaderen; zo zult gij in het boek der kronieken vinden en weten dat deze stad een opstandige stad is, en schadelijk voor koningen en provincies, en dat zij van oudsher oproer binnen haar muren hebben verwekt; om welke reden deze stad verwoest is.
Wij berichten de koning dat, indien deze stad wederom gebouwd wordt en de muren ervan worden opgericht, gij daardoor geen bezit zult hebben aan deze zijde van de rivier.
Toen zond de koning een antwoord aan Rehum de kanselier en aan Simsai de schrijver en aan de rest van hun metgezellen die in Samaria wonen, en aan de rest die aan gene zijde van de rivier zijn: Vrede, en wel nu.
18De brief die gij ons hebt gezonden, is duidelijk voor mij voorgelezen.
19En ik heb bevel gegeven, en er is onderzoek gedaan, en het is bevonden dat deze stad vanouds opstand heeft gemaakt tegen koningen, en dat er rebellie en oproer in haar zijn bedreven.
20Er zijn ook machtige koningen over Jeruzalem geweest, die geheerst hebben over alles aan gene zijde van de rivier; en tol, schatting en cijns werden aan hen betaald.
21Geeft nu bevel om deze mannen te doen ophouden, en dat deze stad niet gebouwd worde, totdat er een ander bevel van mij gegeven zal worden.