Terug naar Ezra 4
VSV
Statenvertaling

Ezra 4:11

Dit is de inhoud van de brief die zij hem zonden, namelijk aan koning Artaxerxes: Uw dienaren, de mannen aan deze zijde van de rivier, en wel nu.

Kruisverwijzingen

Context

Ezra 4 — omringende verzen

6

En in de regering van Ahasveros, in het begin van zijn regering, schreven zij een aanklacht tegen de inwoners van Juda en Jeruzalem.

7

En in de dagen van Artaxerxes schreven Bishlam, Mithredath, Tabeël en de rest van hun metgezellen aan Artaxerxes, de koning van Perzië; en de inhoud van de brief was geschreven in het Aramees en vertaald in het Aramees.

8

Rehum de kanselier en Simsai de schrijver schreven een brief tegen Jeruzalem aan de koning Artaxerxes, als volgt:

9

Toen schreven Rehum de kanselier en Simsai de schrijver en de rest van hun metgezellen; de Dinaïeten, de Afarsathkieten, de Tarpélieten, de Afarsieters, de Archevieten, de Babyloniërs, de Susankieten, de Dehavieten en de Elamieten,

10

En de rest der volken die de grote en edele Asnapar had overgevoerd en geplaatst had in de steden van Samaria, en de rest die aan deze zijde van de rivier zijn, en wel nu.

11

Dit is de inhoud van de brief die zij hem zonden, namelijk aan koning Artaxerxes: Uw dienaren, de mannen aan deze zijde van de rivier, en wel nu.

12

Het zij de koning bekend dat de Joden die van u tot ons zijn opgekomen, naar Jeruzalem zijn gekomen en de opstandige en slechte stad bouwen, en de muren hebben opgericht en de fundamenten hebben gelegd.

13

Het zij nu de koning bekend dat, indien deze stad gebouwd wordt en de muren wederom opgericht worden, zij geen tol, schatting en cijns zullen betalen, en gij schade zult toebrengen aan de inkomsten der koningen.

14

Nu omdat wij ondersteund worden vanuit het koninklijk paleis, en het ons niet betaamde de oneer van de koning te aanschouwen, hebben wij gezonden en de koning ingelicht;

15

Opdat er gezocht worde in het boek der kronieken van uw vaderen; zo zult gij in het boek der kronieken vinden en weten dat deze stad een opstandige stad is, en schadelijk voor koningen en provincies, en dat zij van oudsher oproer binnen haar muren hebben verwekt; om welke reden deze stad verwoest is.

16

Wij berichten de koning dat, indien deze stad wederom gebouwd wordt en de muren ervan worden opgericht, gij daardoor geen bezit zult hebben aan deze zijde van de rivier.