Terug naar Ezra 4
VSV
Statenvertaling

Ezra 4:9

Toen schreven Rehum de kanselier en Simsai de schrijver en de rest van hun metgezellen; de Dinaïeten, de Afarsathkieten, de Tarpélieten, de Afarsieters, de Archevieten, de Babyloniërs, de Susankieten, de Dehavieten en de Elamieten,

Kruisverwijzingen

Context

Ezra 4 — omringende verzen

4

Toen ontmoedigden de volken des lands het volk van Juda en verontrustten hen in het bouwen,

5

En huurden raadslieden tegen hen, om hun voornemen te verijdelen, al de dagen van Kores, de koning van Perzië, zelfs tot de regering van Darius, de koning van Perzië.

6

En in de regering van Ahasveros, in het begin van zijn regering, schreven zij een aanklacht tegen de inwoners van Juda en Jeruzalem.

7

En in de dagen van Artaxerxes schreven Bishlam, Mithredath, Tabeël en de rest van hun metgezellen aan Artaxerxes, de koning van Perzië; en de inhoud van de brief was geschreven in het Aramees en vertaald in het Aramees.

8

Rehum de kanselier en Simsai de schrijver schreven een brief tegen Jeruzalem aan de koning Artaxerxes, als volgt:

9

Toen schreven Rehum de kanselier en Simsai de schrijver en de rest van hun metgezellen; de Dinaïeten, de Afarsathkieten, de Tarpélieten, de Afarsieters, de Archevieten, de Babyloniërs, de Susankieten, de Dehavieten en de Elamieten,

10

En de rest der volken die de grote en edele Asnapar had overgevoerd en geplaatst had in de steden van Samaria, en de rest die aan deze zijde van de rivier zijn, en wel nu.

11

Dit is de inhoud van de brief die zij hem zonden, namelijk aan koning Artaxerxes: Uw dienaren, de mannen aan deze zijde van de rivier, en wel nu.

12

Het zij de koning bekend dat de Joden die van u tot ons zijn opgekomen, naar Jeruzalem zijn gekomen en de opstandige en slechte stad bouwen, en de muren hebben opgericht en de fundamenten hebben gelegd.

13

Het zij nu de koning bekend dat, indien deze stad gebouwd wordt en de muren wederom opgericht worden, zij geen tol, schatting en cijns zullen betalen, en gij schade zult toebrengen aan de inkomsten der koningen.

14

Nu omdat wij ondersteund worden vanuit het koninklijk paleis, en het ons niet betaamde de oneer van de koning te aanschouwen, hebben wij gezonden en de koning ingelicht;