Genesis 12:2
“En Ik zal u tot een groot volk maken, en Ik zal u zegenen en uw naam groot maken; en u zult een zegen zijn.”
Kruisverwijzingen
Context
Genesis 12 — omringende verzen
En de HEER had tot Abram gezegd: Ga uit uw land en uit uw maagschap en uit het huis van uw vader, naar het land dat Ik u wijzen zal.
En Ik zal u tot een groot volk maken, en Ik zal u zegenen en uw naam groot maken; en u zult een zegen zijn.
En Ik zal zegenen wie u zegenen, en vervloeken wie u vervloekt; en in u zullen alle geslachten der aarde gezegend worden.
4Zo vertrok Abram, zoals de HEER tot hem gesproken had; en Lot ging met hem mee. En Abram was vijfenzeventig jaar oud toen hij uit Haran vertrok.
5En Abram nam Sarai, zijn vrouw, en Lot, de zoon van zijn broer, en al hun bezittingen die zij vergaard hadden, en de zielen die zij in Haran verworven hadden; en zij trokken uit om naar het land Kanaän te gaan, en zij kwamen in het land Kanaän.
6En Abram trok door het land tot aan de plaats Sichem, tot aan het eikenbos More. En de Kanaänieten woonden toen in dat land.
7En de HEER verscheen aan Abram en zei: Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven. En hij bouwde daar een altaar voor de HEER, Die aan hem verschenen was.