Terug naar Genesis 12
VSV
Statenvertaling

Genesis 12:7

En de HEER verscheen aan Abram en zei: Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven. En hij bouwde daar een altaar voor de HEER, Die aan hem verschenen was.

Kruisverwijzingen

Context

Genesis 12 — omringende verzen

2

En Ik zal u tot een groot volk maken, en Ik zal u zegenen en uw naam groot maken; en u zult een zegen zijn.

3

En Ik zal zegenen wie u zegenen, en vervloeken wie u vervloekt; en in u zullen alle geslachten der aarde gezegend worden.

4

Zo vertrok Abram, zoals de HEER tot hem gesproken had; en Lot ging met hem mee. En Abram was vijfenzeventig jaar oud toen hij uit Haran vertrok.

5

En Abram nam Sarai, zijn vrouw, en Lot, de zoon van zijn broer, en al hun bezittingen die zij vergaard hadden, en de zielen die zij in Haran verworven hadden; en zij trokken uit om naar het land Kanaän te gaan, en zij kwamen in het land Kanaän.

6

En Abram trok door het land tot aan de plaats Sichem, tot aan het eikenbos More. En de Kanaänieten woonden toen in dat land.

7

En de HEER verscheen aan Abram en zei: Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven. En hij bouwde daar een altaar voor de HEER, Die aan hem verschenen was.

8

En hij brak van daar op naar het gebergte ten oosten van Bethel, en hij sloeg zijn tent op, met Bethel aan de westzijde en Ai aan de oostzijde; en daar bouwde hij een altaar voor de HEER en riep de Naam van de HEER aan.

9

En Abram reisde verder, steeds voortgaande naar het zuiden.

10

En er was hongersnood in het land; en Abram trok naar Egypte af om daar te verblijven, want de hongersnood drukte zwaar op het land.

11

En het geschiedde, toen hij Egypte naderde om er binnen te gaan, dat hij tot Sarai, zijn vrouw, zei: Zie, ik weet dat u een vrouw van schoon uiterlijk bent.

12

Daarom zal het geschieden, wanneer de Egyptenaren u zien, dat zij zullen zeggen: Dit is zijn vrouw; en zij zullen mij doden, maar u in leven laten.