Genesis 12:6
“En Abram trok door het land tot aan de plaats Sichem, tot aan het eikenbos More. En de Kanaänieten woonden toen in dat land.”
Kruisverwijzingen
Context
Genesis 12 — omringende verzen
En de HEER had tot Abram gezegd: Ga uit uw land en uit uw maagschap en uit het huis van uw vader, naar het land dat Ik u wijzen zal.
2En Ik zal u tot een groot volk maken, en Ik zal u zegenen en uw naam groot maken; en u zult een zegen zijn.
3En Ik zal zegenen wie u zegenen, en vervloeken wie u vervloekt; en in u zullen alle geslachten der aarde gezegend worden.
4Zo vertrok Abram, zoals de HEER tot hem gesproken had; en Lot ging met hem mee. En Abram was vijfenzeventig jaar oud toen hij uit Haran vertrok.
5En Abram nam Sarai, zijn vrouw, en Lot, de zoon van zijn broer, en al hun bezittingen die zij vergaard hadden, en de zielen die zij in Haran verworven hadden; en zij trokken uit om naar het land Kanaän te gaan, en zij kwamen in het land Kanaän.
En Abram trok door het land tot aan de plaats Sichem, tot aan het eikenbos More. En de Kanaänieten woonden toen in dat land.
En de HEER verscheen aan Abram en zei: Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven. En hij bouwde daar een altaar voor de HEER, Die aan hem verschenen was.
8En hij brak van daar op naar het gebergte ten oosten van Bethel, en hij sloeg zijn tent op, met Bethel aan de westzijde en Ai aan de oostzijde; en daar bouwde hij een altaar voor de HEER en riep de Naam van de HEER aan.
9En Abram reisde verder, steeds voortgaande naar het zuiden.
10En er was hongersnood in het land; en Abram trok naar Egypte af om daar te verblijven, want de hongersnood drukte zwaar op het land.
11En het geschiedde, toen hij Egypte naderde om er binnen te gaan, dat hij tot Sarai, zijn vrouw, zei: Zie, ik weet dat u een vrouw van schoon uiterlijk bent.