Genesis 18:30
“En hij zei: Dat de HEER toch niet vertoornd zij, en ik zal spreken: Misschien zullen er dertig gevonden worden. En Hij zei: Ik zal het niet doen, indien Ik er dertig vind.”
Kruisverwijzingen
Context
Genesis 18 — omringende verzen
Dat zij verre van U, zulk een zaak te doen, de rechtvaardige met de goddeloze te doden; en dat de rechtvaardige zou zijn als de goddeloze, dat zij verre van U. Zou de Rechter van de gehele aarde geen recht doen?
26En de HEER zei: Indien Ik in Sodom vijftig rechtvaardigen vind binnen de stad, dan zal Ik de gehele plaats sparen om hunnentwil.
27En Abraham antwoordde en zei: Zie toch, ik heb mij verstout te spreken tot de HEER, hoewel ik stof en as ben.
28Misschien zullen er vijf ontbreken aan de vijftig rechtvaardigen; zult U de gehele stad verdelgen om die vijf? En Hij zei: Ik zal haar niet verdelgen, indien Ik er vijfenveertig vind.
29En hij sprak wederom tot Hem en zei: Misschien zullen er veertig gevonden worden. En Hij zei: Ik zal het niet doen om der veertig wil.
En hij zei: Dat de HEER toch niet vertoornd zij, en ik zal spreken: Misschien zullen er dertig gevonden worden. En Hij zei: Ik zal het niet doen, indien Ik er dertig vind.
En hij zei: Zie toch, ik heb mij verstout te spreken tot de HEER: Misschien zullen er twintig gevonden worden. En Hij zei: Ik zal haar niet verdelgen om der twintig wil.
32En hij zei: Dat de HEER toch niet vertoornd zij, en ik zal nog slechts ditmaal spreken: Misschien zullen er tien gevonden worden. En Hij zei: Ik zal haar niet verdelgen om der tien wil.
33En de HEER ging Zijns weegs, zodra Hij geëindigd had met Abraham te spreken; en Abraham keerde terug naar zijn plaats.