Terug naar Genesis 28
VSV
Statenvertaling

Genesis 28:11

En hij kwam op een zekere plaats, en overnachtte aldaar, omdat de zon onderging; en hij nam een van de stenen van die plaats, en legde die tot zijn hoofdpeluw, en legde zich in die plaats neder om te slapen.

Kruisverwijzingen

Context

Genesis 28 — omringende verzen

6

Toen Esau zag dat Isaak Jakob gezegend en hem naar Paddan-Aram gezonden had om van daar een vrouw te nemen, en dat hij hem, toen hij hem zegende, een gebod gaf en zeide: Gij zult geen vrouw nemen van de dochters van Kanaän;

7

En dat Jakob zijn vader en zijn moeder gehoorzaamde, en naar Paddan-Aram gegaan was;

8

En Ezau ziende dat de dochters van Kanaän zijn vader Izak niet behaagden;

9

Toen ging Ezau tot Ismaël, en nam tot de vrouwen die hij had, Mahalath, de dochter van Ismaël, de zoon van Abraham, de zuster van Nebajoth, tot zijn vrouw.

10

En Jakob trok uit Berseba, en ging naar Haran.

11

En hij kwam op een zekere plaats, en overnachtte aldaar, omdat de zon onderging; en hij nam een van de stenen van die plaats, en legde die tot zijn hoofdpeluw, en legde zich in die plaats neder om te slapen.

12

En hij droomde, en zie, een ladder was op de aarde gezet, en haar top raakte aan de hemel; en zie, de engelen Gods klommen daarlangs op en neder.

13

En zie, de HEER stond boven aan haar, en zeide: Ik ben de HEER, de God van uw vader Abraham, en de God van Izak; het land waarop gij ligt te slapen, zal Ik u geven en uw nageslacht;

14

En uw nageslacht zal zijn als het stof der aarde, en gij zult u uitbreiden naar het westen en naar het oosten, en naar het noorden en naar het zuiden; en in u en in uw nageslacht zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden.

15

En zie, Ik ben met u, en Ik zal u bewaren overal waar gij heengaat, en Ik zal u wederbrengen in dit land; want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik gedaan heb wat Ik tot u gesproken heb.

16

En Jakob ontwaakte uit zijn slaap, en hij zeide: Voorwaar, de HEER is in deze plaats, en ik wist het niet!