Genesis 28:15
“En zie, Ik ben met u, en Ik zal u bewaren overal waar gij heengaat, en Ik zal u wederbrengen in dit land; want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik gedaan heb wat Ik tot u gesproken heb.”
Kruisverwijzingen
Context
Genesis 28 — omringende verzen
En Jakob trok uit Berseba, en ging naar Haran.
11En hij kwam op een zekere plaats, en overnachtte aldaar, omdat de zon onderging; en hij nam een van de stenen van die plaats, en legde die tot zijn hoofdpeluw, en legde zich in die plaats neder om te slapen.
12En hij droomde, en zie, een ladder was op de aarde gezet, en haar top raakte aan de hemel; en zie, de engelen Gods klommen daarlangs op en neder.
13En zie, de HEER stond boven aan haar, en zeide: Ik ben de HEER, de God van uw vader Abraham, en de God van Izak; het land waarop gij ligt te slapen, zal Ik u geven en uw nageslacht;
14En uw nageslacht zal zijn als het stof der aarde, en gij zult u uitbreiden naar het westen en naar het oosten, en naar het noorden en naar het zuiden; en in u en in uw nageslacht zullen alle geslachten van de aarde gezegend worden.
En zie, Ik ben met u, en Ik zal u bewaren overal waar gij heengaat, en Ik zal u wederbrengen in dit land; want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik gedaan heb wat Ik tot u gesproken heb.
En Jakob ontwaakte uit zijn slaap, en hij zeide: Voorwaar, de HEER is in deze plaats, en ik wist het niet!
17En hij vreesde, en zeide: Hoe vreselijk is deze plaats! Dit is niet anders dan het huis Gods, en dit is de poort des hemels.
18En Jakob stond des morgens vroeg op, en nam de steen die hij tot zijn hoofdpeluw gelegd had, en stelde die tot een opgericht gedenkteken, en goot olie op haar top.
19En hij noemde de naam van die plaats Beth-El; maar de naam van die stad was te voren Luz.
20En Jakob deed een gelofte, zeggende: Indien God met mij zal zijn, en mij behoeden zal op deze weg die ik ga, en mij brood zal geven om te eten, en kleding om aan te trekken,