Genesis 28:20
“En Jakob deed een gelofte, zeggende: Indien God met mij zal zijn, en mij behoeden zal op deze weg die ik ga, en mij brood zal geven om te eten, en kleding om aan te trekken,”
Kruisverwijzingen
Context
Genesis 28 — omringende verzen
En zie, Ik ben met u, en Ik zal u bewaren overal waar gij heengaat, en Ik zal u wederbrengen in dit land; want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik gedaan heb wat Ik tot u gesproken heb.
16En Jakob ontwaakte uit zijn slaap, en hij zeide: Voorwaar, de HEER is in deze plaats, en ik wist het niet!
17En hij vreesde, en zeide: Hoe vreselijk is deze plaats! Dit is niet anders dan het huis Gods, en dit is de poort des hemels.
18En Jakob stond des morgens vroeg op, en nam de steen die hij tot zijn hoofdpeluw gelegd had, en stelde die tot een opgericht gedenkteken, en goot olie op haar top.
19En hij noemde de naam van die plaats Beth-El; maar de naam van die stad was te voren Luz.
En Jakob deed een gelofte, zeggende: Indien God met mij zal zijn, en mij behoeden zal op deze weg die ik ga, en mij brood zal geven om te eten, en kleding om aan te trekken,
Zodat ik in vrede wederkom tot het huis van mijn vader, dan zal de HEER mij tot een God zijn.
22En deze steen, dien ik tot een opgericht gedenkteken gezet heb, zal een huis Gods zijn; en van alles wat Gij mij geven zult, zal ik U voorzeker het tiende deel geven.